DE REDACTIE LOEIT: uier

/////

Interview Luce Beeckmans

“We zitten op een kantelmoment”

Luce Beeckmans studeerde in 2005 af als burgerlijk ingenieur-architect aan de UGent waar ze sinds 2013 actief is als postdoctoraal onderzoeker binnen de Vakgroep Architectuur en Stedenbouw. Naast haar onderzoek naar de interrelatie tussen migratie, stad en architectuur, draagt Luce met haar onderzoek bij aan de strijd voor meer gelijke kansen. In een interview met den uier spreekt ze dan ook gepassioneerd over de maatschappelijke relevantie van haar werk en de diverse uitdagingen van de toekomst.


1|Het novembernummer van den uier gaat over gender en diversiteit. Dit is een zeer actueel, maar beladen onderwerp en we voelen ook binnen het redactieteam aan dat mensen vaak niet op éénzelfde lijn zitten. Hoe ga je daarmee om, met het constante debat rond die thema’s?

Mijn positie is een beetje vertrekkend vanuit het idee dat we verschillende meningen hebben en dat pluralisme een verrijking is. Ik hou heel erg van het brede spectrum aan meningen, maar voor mij is er geen plaats voor intolerante meningen. Er is vrijheid van meningsuiting, maar die mag niet kwetsend of discriminerend zijn. Hiervoor zet ik mij dan ook in, zowel onderzoeksmatig, maar ook door in verschillende commissies te zetelen, zoals de centrale commissie Gender en Diversiteit, en de organisatie van de UGent Women’s Strike, waar het gaat over mensen die in een minder evidente positie zitten, maar niettemin gelijkwaardige kansen moeten krijgen. Het gaat dan om gevoelige conversaties waarbij het niet altijd degene met de grootste mond is, die het meeste te vertellen heeft. Er moet geluisterd worden, ook naar de mensen die in andere posities zitten. Het is mooi om het verschil aan profielen in de maatschappij te zien, en dan erger ik me aan het feit dat er maar bepaalde profielen overwegend aan bod komen in de media of binnen belangrijke functies. Dat zou veel breder moeten kunnen, en daarom moeten we de barrières voor die groepen wegwerken. Soms is dat gecontesteerd, maar soms moet je daar heel rechtdoorzee in zijn. We gaan moeten leren omgaan met diversiteit. Daarom moeten we die thema’s bespreekbaar maken.


2|Elke keer als je over gender spreekt, gaan mensen ervan uit dat je over feminisme spreekt. Hoe baken je dit af?

Inderdaad, veel mensen beschouwen je als feministe eenmaal je over gender spreekt. Echter: hoe vreemd het ook klinkt, ik beschouw mezelf niet als feministe. Je zou mij als feministe kunnen beschouwen, maar niet in de zin dat ik mezelf militant opstel in het thema. Mijn constatering is gewoon dat vrouwen vandaag niet dezelfde mogelijkheden krijgen om door te stromen in bepaalde functies als mannen. Hetzelfde geldt voor migranten, wat ik ook aankaart. Trouwens, moest hetzelfde probleem zich bij mannen voordoen, dan zou mij dat even hard raken. Ik ben helemaal geen mannen-hater. Al die connotaties die bij ‘feminisme’ komen zijn heel erg verouderd. We zijn 2019, we weten allemaal dat vrouwen en mannen dezelfde kansen zouden moeten verdienen, dat zou een verworven recht moeten zijn. Maar in de realiteit vechten veel mensen daar nog steeds voor. Mijn steun gaat naar die mensen uit, ongeacht hun achtergrond of sekse.


3|Vind je het dan niet jammer dat je jezelf niet kunt profileren als feminist?

In een bepaalde zin ben ik natuurlijk wel een feminist. Wat ik echter heb geleerd, bijvoorbeeld bij de UGent Women’s Strike, is dat het soms weinig uithaalt om te roepen. Hiermee gaat je boodschap gewoon verloren. Ik denk dat je veel meer hebt aan verbindende taal: dan gaat het niet over de radicaliteit van je boodschap, maar over de manier waarop gecommuniceerd wordt. Ik ben 100 procent feministe als het gaat over het feit dat mannen en vrouwen gelijke kansen zouden moeten krijgen. Maar als dat allemaal zo’n slechte connotaties oproept, weet ik niet of je het nog zo luid moet roepen. Ik wil vooral dat er iets verandert, en ik weet dat als je dat zegt, heel veel mensen zich aangevallen voelen en zich afsluiten. Maar het is net bij hen dat er steun moet gevonden worden. Ten eerste omdat ze de macht hebben en ten tweede omdat het een verbindend project moet zijn. We moeten er allemaal achter staan; het is belangrijk dat het geen vrouwenverhaal blijft.


4|Wat als vrouwen en mannen dezelfde rechten krijgen, hoe belangrijk vind je de opdeling vrouw en man dan nog? Is het belangrijk dat sekse nog wordt benoemd?

In een ideale maatschappij speelt dát aspect geen rol meer, maar word je beoordeeld op wie je bent en wat je capaciteiten zijn. Je mag voor een bepaalde functie bijvoorbeeld ook niet enkel gekozen worden omdat je vrouw bent. Dat man en vrouw zijn doet er nu nog altijd toe, maar iedereen zou het mogen stileren zoals hij of zij zelf wil. Ik ben zelf vrouw, maar ik heb heel veel zogezegd stereotype mannelijke kantjes, bijvoorbeeld het feit dat ik wel wat competitief ben en ik het huishouden met drie kinderen volledig met mijn man deel. Het is hoe je jezelf maakt als persoon.


5|Even naar architectuur. In een interview met Knack [1] zeg je dat, om diversiteit te creëren, je in publieke plekken moet investeren. Helaas brengen deze plaatsen en gebouwen financieel weinig op. Hoe zie je dat in de toekomst veranderen?

Als het gaat over stedenbouw en de instrumenten die er bestaan om diversiteit aan te moedigen, dan zie je dat er in de stedenbouw geen woordenschat bestaat om over stedelijke diversiteit te praten. Eén van de uitzonderingen is ‘sociale mix’. Wat we echter zien, is dat sociale mix vandaag geen effect heeft gehad, maar enkel de verdringing van groepen heeft gestimuleerd. Sociale mix is niet alleen onaangepast, het werkt ook gewoon niet, zoals recente literatuur aangeeft. Ik denk dat we anders moeten gaan nadenken. Het is belangrijker dat mensen sociale mobiliteit kunnen ervaren en kunnen opklimmen op de economische ladder. Dan maakt het niet uit of ze gemixt wonen. Want wonen is ook niet echt hét domein waar mensen interactie zoeken, ze zoeken er eerder intimiteit. Vandaar dat ik het heel belangrijk vind om op publieke, sociale, culturele en religieuze voorzieningen in te spelen. Er is zo gefocust op huisvesting dat dit soort voorzieningen uit het oog zijn verloren. Het is problematisch als we naar een maatschappij evolueren waarin we allemaal náást elkaar gaan wonen, in plaats van met elkaar.





6|Hoe zie je die sociale mix dan wel in de stad?

Wat vaak wordt gezegd, is dat er in wijken met weinig sociale mix een grote sociale cohesie is. Dus op zich zou je kunnen zeggen dat ook dat positieve elementen zijn. Het is alleen een probleem als de mensen die in die wijken wonen geen enkel contact hebben met mensen die wonen in de wijken er buiten. Het is problematisch als de buitenwijken een enclave worden waarin inwoners gevangen zijn en dat dit hen belemmert om op de economische ladder op te klimmen. Het is belangrijk dat mensen voldoende vrij en mobiel zijn om ergens te wonen en van een bepaalde plaats hun thuis te maken.


7|Wat is de rol van de architect of stedenbouwer dan in dit proces?

Het is zo dat je als architect of stedenbouwer nooit meer in een vacuüm werkt. Dus voor bepaalde wijken denk ik dat het belangrijk is om te starten van een analyse van het bestaande weefsel. Voor andere wijken kan de stad bijvoorbeeld veel meer inzetten op het behouden van de grondpositie zodat ze daar wel degelijk een beleid in kan voeren. Soms zie je dat er woningen worden gecreëerd in een segment waar er geen vraag naar is, terwijl diezelfde stad wel met een wooncrisis kampt. De rol van de stedenbouwkundige en architect is dus enerzijds om te bemiddelen in wat er al bestaat en dit proberen beter te faciliteren om verder in te spelen op wat er al bestaat en dat bestaande proberen faciliteren door middel van stadsontwerp en architecturaal ontwerp. Anderzijds door te sturen en de stad in een bepaalde richting vorm te geven.


8|Vind je dat het herkennen van de aanwezige kwaliteiten binnen het stedelijke weefsel iets is wat we aangeleerd krijgen binnen de opleiding?

Mijn onderzoek is zeer interdisciplinair van karakter. Ik werk rond stadsantropologie, architectuur en stedenbouw binnen het geheel aan urban studies. Daarnaast ben ik ook beïnvloed door culturele geografie. Zelf zie ik dit als een enorme verrijking en ik probeer dan vanuit een etnografische positie via interviews en observaties te weten te komen hoe mensen ter plaatse het samenleven concipiëren of hoe ze denken over ruimtelijke diversiteit. Ook beleidsmatig stel ik dezelfde vraag: hoe willen de lokale overheden de stad vormgeven? Dat doe ik niet zozeer met de bedoeling om eventuele discrepanties in de verf te zetten, maar net om te zoeken naar momenten waarop die twee elkaar zouden kunnen vinden. Om vanuit het veldwerk tot nieuwe concepten te komen, vind ik dat dan ook een waardevolle werkwijze. Ik denk dat zo’n methode ook wel ergens aanwezig is in de opleiding, maar dat dit zich misschien nog te weinig toespitst op de sociale ruimtelijke analyse en teveel focust op de puur ruimtelijke analyse. Dat zou inderdaad sterker kunnen, maar ik denk dat dit met de bijzondere vraagstukken toch meer en meer aan bod komt.


9|Hoe zie je die verhouding dan tussen bottom-up en top-down stadsplanning?

Participatie is een heel mooi verhaal, maar bestuurlijke instanties zijn natuurlijk ook noodzakelijk. Voor een deel kun je daar dus echt niet aan ontsnappen, en dat is ook niet erg. Als we voldoende ruimte maken om de sociale ruimtelijke ontwikkelingen in de stad te begrijpen, dan denk ik dat we de goede richting uitgaan. Het gaat dan meer om een vorm van samenwerken in plaats van een blind geloof in de maakbaarheid van de stad van bovenuit. Het is een zeer complex verhaal en die complexiteit moet je als stedenbouwkundige kunnen vatten. Als je denkt in definiërende bestemmingen van gebieden, dan laat je weinig ruimte over voor processen van onderuit, voor onzekerheid. Ik denk dat dit een stedenbouwkundige veel sterker kan maken, als je ruimte kunt ontwikkelen die zichzelf laat ontwikkelen, als je ruimte in ruimte laat. Architecten moeten dus durven een maatschappelijke rol op te nemen.


10|Bent u tevreden over de diversiteit binnen deze vakgroep?

Ik denk niet dat we tevreden mogen zijn als er geen enkele vrouw voltijds doceert, terwijl er wel meer vrouwelijke dan mannelijke studenten afstuderen. Dat betekent dat we hebben gefaald. Je begrijpt natuurlijk dat ik deze situatie niet heb gecreëerd, maar ik probeer er wel iets aan te veranderen. Maar alles wat ik hier rond doe, doe ik ook absoluut niet voor mezelf: de inhoud moet gaan over een gelijke-kansen-verhaal. De vakgroep heeft hierover dan ook tijdens het laatste conclaaf constructief gepraat en nagedacht. In se gaat het dan niet enkel over het doorstromen van vrouwelijke academici, het instromen van studenten met een migratieachtergrond, maar ook over het algemeen welzijn op het werk en bij studenten. Ik denk dat we daar ook met een nieuwe generatie wel klaar voor zijn. Het kan gewoon niet meer anders. Ik zie het dan ook positief, zeker ook binnen de Universiteit Gent, die op dit vlak belangrijke stappen aan het zetten is. We zitten duidelijk op een kantelmoment. Gender en diversiteit staan eindelijk op de agenda. En nu ook van de loeiende koe: dat doet me plezier!


Louis Ocket en Lise-Lotte Moeres



[1] Zie het interview met Sami Zemni en Luce Beeckmans in het Knack-nummer van 28-02-2018.