UIER 2020

UIER 2020-2021

///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt ///schoorsteen ///deurklink ///tapijt


ELEMENTS OF ELEMENTS OF ARCHITECTURE

Een nieuwe jaargang, en wat voor één. Laten we niet te lang stilstaan bij Miss. Rona, daar zijn al genoeg woorden aan vuil gemaakt. Laten we het opnieuw over de architectuur hebben.

Dit jaar zal de redactie zich inschrijven in de elementen van elementen van de architectuur. Een lange titel met een korte definitie: objecten die in het algemeen niet direct tot de architectuur behoren, maar die zonder de architectuur geen bestaan zouden kennen. Losjes baseren we ons op 'The Elements of Architecture' van Rem Koolhaas en OMA, maar we trachten de diepere en kleinschaligere laag op te zoeken. We hanteren de bewuste elementen niet als nauwe partijlijnen, maar als startstreep, als inspiratieshot, als landingsbaan.

U heeft het misschien al gemerkt, maar u zit niet rustig in het atelier met een broodje de uier te lezen, neen, dit is het wereld-wijde-web! Met spijt in ons hart moesten we dit jaar het tactiele van onze grote A2 verlaten. Het heeft bitter weinig zin om in een leeg atelier 'Heb je al een uier?!' te roepen. Om van een tegenslag een opportuniteit te maken schakelen we over op deze zelfontworpen webruimte. Elke nieuwe editie kondigen we aan met een reeks prachtige postkaarten, met QR-code naar de site, die u hopelijk al in de ateliers kon vinden.



DEURKLINK

In deze eerste editie zal de redactie zich buigen over het element: ‘de deurklink’. Het klinkt als een goedkoop en eenvoudig element -zou je denken. Echter was dit in de renaissance één van de duurste stukken van het huis/palazzo. Zo kostbaar zelfs dat wanneer men verhuisde men de deurklink mee verhuisde. Dit element valt dus zeker niet te onderschatten. Neem net zoals je deurklink, deze artikels eens stevig vast, schudt ze de hand en knijp er eens stevig in!

“The door handle is the handshake of the building” -Juhani Palasmaa

KOKA. kruipt in de huid van een niet nader genoemde deurklink in de plateau, en loopt daarbij een merkwaardig figuur tegen het lijf.
Kasper en Louis schrijven kort over de lusten van Koen. De tekst herinnert me vaag aan één of andere instagrampagina, maar dat kan ook toeval zijn.
Nicolas slooft zich helemaal uit. Enerzijds schrijft hij over de awkward handshake met zijn vertrouwde deurklink thuis, waarvan hij een digitale interpretatie animeerde. Anderzijds verdiept hij zich in de aloude antropomorfe metafoor van de architectuur.
Laure en Evelien, politiek en economie; Laure verzint een wel héél geloofwaardige nieuwe maatregel met een kapitalistisch/grafisch antwoord van Evelien.
We laten Bart Verschaffel aan het woord over zijn favoriete deurklink.
Tenslotte serveren Anton en Lamia u nog enkele filmrecensies, helemaal in de tijdsgeest van Filmfest Gent.


Mijmeren over een klink

De klink van mijn slaapkamerdeur is omgekeerd gemonteerd. Het betreft een rijkelijk gedecoreerd exemplaar, sierlijk golvend aan de bovenzijde om zachtjes contact te maken met een menselijke handpalm. Die kant kijkt bij mij echter richting de grond. Mijn hand moet het dus stellen met het grillige profiel van de onderkant, getypeerd door een uitsparing voor de vier vingers die zich rond de hendel sluiten, gevolgd door een bult die de vingers stabiel op hun plaats moet houden. Het gevolg is een klink die – hoewel doordrongen van de menselijke maat – ongemakkelijk aanvoelt bij elk gebruik, als gevolg van de ongelukkige oriëntatie. De palm van mijn hand belandt ongelukkig in de uitsparing en op de bult. Mijn deur geeft me precies iedere keer een mislukte high-five of een ongemakkelijke handshake.

Vaak merk je pas goed design op wanneer je wordt geconfronteerd met een slecht voorbeeld. Ik droom wel eens weg bij de gedachte van die klink, maar dan juist gemonteerd deze keer. Stel je voor hoe goed het zou voelen; een ferme handdruk met de deur naar mijn kamer, hartelijk de hand schudden met de toegang tot mijn privésfeer. Sterker nog, die hand zou lijken terug te schudden door zijn menselijk aandoende vorm. Een deurklink is een uitgestoken hand. Niet van een mens, maar van een gebouw gemaakt voor mensen. Geen element van de bebouwde omgeving dat zo dicht bij het veld van de architectuur aanschurkt, wordt zo nauw en intiem ervaren door onze tastzin als de deurklink. Klinken als de mijne, waarvan de vorm een direct gevolg lijkt van een menselijke aanraking, slaan zelfs een brug tussen de zware, onbeweeglijke massa van het gebouw en onze levende, beweeglijke lichamen.


Nicolas De Wispelaere


Antropobject

Chaque jour, sta ik de studenten ten dienste en hoor ik al hun gezanik over de jury’s. Ik ken ondertussen alle roddels over Bartolomé et Jean. Ik heb Bartolomé et Jean al meerdere malen zien passeren; ils ont l’air joli. Bartolomés zachte handjes zijn toujours lekker warm, soms een beetje bezweet. Jean heeft mooie lange vingers, die me kietelen. Ondanks dat ik tout le temps door iedereen aangeraakt word, krijg ik niet veel aandacht. Jusqu'à hier keek niemand mij zelfs aan. Toen kwam Alice langs. Blonde, merveilleuse et mignonne. En bref, comme Angèle mais du Plateau. Ik heb altijd al een babbeltje met haar willen slaan, maar normaal zag ze me niet staan. Mais ce fois sloeg ze me geen hand voor de mond en staarde me aan. Ik heb me jamais zo bekeken gevoeld. Als ik kon, zou ik me willen verstoppen in de deur. Est-ce que c’est comme ceci que ça sent de tomber amoureux? We hadden oogcontact. Ik waagde mijn kans. Avec confidence, sprak ik haar aan. Ze verschoot zich dood. Heb ik iets verkeerd gezegd? Is een gewone ‘Allô’ niet meer poli? Après un moment van verwarring, begint ze te panikeren. Ze begint tout a coup aan me te wringen. De wereld draaide heel snel om. Ik blokkeerde helemaal, waardoor ze alleen nog maar gefrustreerder werd. Ik vermande mij en spande me op tegen haar agressie. Finalement, liet ze me met een verslagen gezicht los. Ze zag er zo triste uit in haar blauw, verschrompeld kleedje. Ik moest wel iets doen om haar humeur op te klaren. "Je ne suis pas impossible, mais impassible." Ze keek op en terwijl nog een traan over haar wang rolde, begon ze te schateren van het lachen. Haar lach stookte mij aan mee te lachen. Ik moest zo hard lachen, dat ik spontaan open floepte. Ze wuifde me adieu en verdween achter de deur.


Tekst: KUKO. Illustratie: Alice Deleu


Gebouwen zijn monsters

“Ramen zijn de ogen en longen van een gebouw”, zei de modernistische architect Huib Hoste. Architectuurtaal is vaak dol op dergelijke metaforen. Ramen zijn ogen en longen net omdat ze dezelfde menselijke noden vervullen als de overeenkomstige organen: zicht en frisse lucht. We gebruiken deze metafoor voor een architecturaal element omdat het ónze ogen en longen als gebruikers bevredigt. Hoste hechtte duidelijk veel belang aan die metafoor. De voorgevel van zijn Huis Lens in Mechelen wordt gedomineerd door een groot raam op de eerste verdieping. Meer dan voldoende licht en lucht dus voor de familie Lens, die intrek namen in de – toen nog – vrijstaande woning. Later kreeg Huis Lens gezelschap van twee forse appartementsblokken aan weerszijden. Hoewel de modernistische parel haast werd weggecijferd in het banale straatzicht, weerklonk de uitspraak van Hoste luider dan ooit. Door de lichte knik in de voorgevel van het huis, piept de gevel van achter zijn struise buurman. Het grote raam, dat meeknikt, hoopt zo nog een glimp op te vangen van wat er verder in de straat gebeurt. Dit raam vormt niet alleen de ogen en de longen voor de gebruikers, maar ook echt de ogen en de longen van het gebouw zelf. Huis Lens snakt naar adem en kijkt reikhalzend uit naar een redding uit zijn beknelde positie tussen de twee flatgebouwen. Zijn ogen en longen staan wijd open.



Deze gewoonte om architectuurelementen te linken aan lichaamsdelen, maakt van gebouwen bijna levende wezens. Net voor de quarantaine woonde ik in CIVA de presentatie bij van het boek Architecture and Ugliness. Anti-Aesthetics and the Ugly in Postmodern Architecture. Bart Verschaffel, die als coauteur het publiek met zijn imposant gebrom kwam verrijken, maakte er tijdens zijn uiteenzetting de volgende bedenking: “Lelijke gebouwen ervaren we als vriendelijke monsters in het stadslandschap.” Door wat voorbij te gaan aan de werkelijke kerngedachte van de professor, kan ieder gebouw – niet alleen de lelijke – een monster zijn. Hun lichamen bestaan uit andere bouwstoffen dan de onze, maar ze hebben wel een gezicht, een lijf, poten, vleugels, schubben, ogen, vacht. Ter hoogte van de voordeur, waar de interactie tussen mens en gebouw voor het eerst meer dan louter visueel wordt, steken deze wezens een klauw uit, in een poging hun vreemd verschijnen enigszins vertrouwd te doen aanvoelen.

Neem nu bijvoorbeeld het Concertgebouw in Brugge, het knalrode visitekaartje van mijn geboortestad van Robbrecht en Daem. Met verrassend weinig inbeeldingsvermogen zie je een rustende, geschubde sfinx, wakend over het aangrenzende stadsplein ‘t Zand. Zijn kop is de bescheiden lantaarntoren die de kamermuziekzaal huisvest, zijn lijf is het grotere volume waarin de concertzaal zich bevindt. Van achter zijn masker van keramieken lamellen en de achterliggende glaspartijen houdt de gigant de gebeurtenissen op het plein in het oog.



Soms dommelt het beest in en droomt het weg. Dan sluit hij zijn ogen en weerklinkt er muziek in zijn kop. Andere keren dringen bezoekers binnen tot in de grote concertzaal, diep in zijn buikholte. Het gevarieerde traject dat eraan voorafgaat, van een lage vestiaire over een lange helling tot een duizelingwekkende foyer, is als een heuse afdaling in het spijsverteringsstelsel van de sfinx. Het weetje dat het gehele gebouw op springveren is gebouwd, versterkt het idee dat het daar nu even ligt uit te rusten, maar straks opnieuw kan rechtstaan en vertrekken.

Gilbert Decouvreur gaf vorig jaar in de kop van die slapende Brugse schone een uitgebreide lezing over het leven en de realisaties van Alvar Aalto. Eén van mijn favoriete gebouwen van de Finse grootmeester kwam ook aan bod: het Sanatorium van Paimio. Ondanks de talrijke ruimtelijke en esthetische kwaliteiten van het centrum word ik vooral geïntrigeerd door het inlevingsvermogen waarmee het werd ontworpen. Aalto heeft niet zomaar een gebouw voor patiënten getekend; hij stippelt hun hele dag uit. Eén reeks objecten in het bijzonder getuigen van het verregaand verbeeldingsvermogen van de architect: de deurklinken. Een rail omhult het losse uiteinde van de hendel en begeleidt die in zijn boogvormige baan. De reden voor deze ontwerpkeuze? Aalto wou voorkomen dat de lichte kledij van de patiënten aan de hendel zou blijven hangen en scheuren. Zo tilt de rail deze eenvoudige klink op tot een charmeoffensief naar de gebruikers van het gebouw. Het Sanatorium verzekert de patiënten dat er voor hen gezorgd wordt, dat het ondanks zijn harde muren en vloeren een zacht karakter heeft. Het is een monster dat de nagels van zijn klauwen heeft afgeknipt om de handen van mensen te kunnen schudden.


Nicolas De Wispelaere


Koen

Regendruppels kletterden tegen de ruit. Koen werd gespannen wakker. Hij voelde het vanbinnen: vandaag was dé dag! Hij trok een mantel over zijn tengere lichaam en sloot de deur achter zich om buitenshuis zijn lust te bevredigen. Met zijn verstand op nul, klampte hij de ene vochtige deurklink na de andere vast. De glibberige klinken probeerden uit zijn hand te ontsnappen, maar tevergeefs. Hij hield ze stevig vast en fluisterde zachtjes tegen de weerspannige, druppende klink: “Jouw gladde staal is zoveel beter dan die goedkope pvc klinken.


Kasper Habtie en Louis Cocquyt


Favoriete element van ...
               ...Bart Verschaffel

De deurklink is van de soort van de handvatten, waarvan er – zoals in de dierenwereld – per soort vele families bestaan. Een handgreep om een deur – huisdeur, kastdeur, autoportier, kistdeksel… - te openen (of te sluiten), een deurknop bijvoorbeeld, is nog geen klink. ‘Klink’ is een klanknabootsend woord, het verwijst naar het oude sluitmechanisme zonder slot en sleutel, waarbij aan de binnenkant van een deur een metalen staafje opgetild of vastgezet wordt. Maar het wordt wel ook, algemeen, wat onzorgvuldig, gebruikt om alle soorten van handgreep aan te duiden. Het eigene van elke handgreep is dat ze anticipeert op een handeling – en er zelfs de naam van draagt – maar dat op heel verschillende manieren kan doen. Een deurknop of deurkruk die je draait ligt heel anders in de hand dan een staaf die je naar beneden duwt. De vriendelijke versies volgen de schaal en vorm van de gemiddelde hand en vingers, waardoor de greep zich verwacht en uitgenodigd voelt. Maar de handigste zijn daarom niet de mooiste. Mijn favorieten zijn twee sierhandvatjes uit India voor kastdeurtjes die zelf reeds de vorm hebben van uitgestoken handjes. De duim van een volwassene past precies in de palm, het voelt alsof je de hand van een kleuter vastpakt. Maar dan valt op dat de wijsvingers van de handjes de duim raken, met de overige vingers gestrekt. Dat is, in de antieke retorica – zie Quintilianus - een bekend gebaar met een duidelijke betekenis: het geeft instemming aan, en geeft nadruk bij het uiteenzetten van feiten of het uitsplitsen van een betoog in afzonderlijke delen. Maar dat weet een kleuter nog niet.

  

RECENSIES

Vivement ce soir, Patrick Van Antwerpen, België, 1985

In Vivement ce soir observeren we de leute achter de schermen van een Brusselse supermarkt. We volgen één dag mee van verschillende werknemers in hun routine. Deze kruisen elkaar soms. De grappigste figuren zijn de kieskeurige klanten, die sukkelen met het overaanbod. De film hekelt met ons consumptiegedrag, terwijl het op een droge documenterende en bijna voyeuristische manier het alledaagse leven toont op dezelfde plek. De gebreken van de film, zoals het nét tekortschietend ritme voor een komische gag of het ontbreken van een plot, zorgen voor een vreemde sfeer. Tegelijk maken die eigenschappen van het banale komische poëzie. Net zoals boodschappen doen een pleziertje is voor sommigen, is deze trage langspeelfilm een klein genot.


Daens, Stijn Coninx, België, 1992

Wanneer je Daens kijkt, heb je de indruk dat je cultureel erfgoed bekijkt. Het waargebeurd verhaal van de socialistische pastoor Daens inspireert tot emancipatie. Hoe Daens opkomt voor de uitgebuite arbeiders in Aalst tegen de Katholieken in, laat niemand onberoerd. De casting heeft de nagel op de kop geslagen met de aanstelling van de nu nog in het Vlaams filmlandschap relevante acteurs, zoals een toen al charmante Matthias Schoenaerts. Maar de acteerperformance van de legendarische Jan Decleir is ongelooflijk. Dagen later blijft zijn vertolking hangen en wekt hij weer enthousiasme op voor film. Decleir verdient alleen al voor dat elk gouden standbeeldje naar hem toegegooid. Uiteraard is de film een must voor elke socialist. Het toont de maatschappelijke wantoestanden met een zekere soberheid, die je meesleept. Een aanrader voor iedereen die op zoek is naar een stuk geschiedenis die passioneert.

Being John Malkovich, Spike Jonze, 1999

Naar het schijnt is John Malkovich een acteur, net zoals Johnny Depp er een is. Het grappige is dat John Malkovich ook gewoon de rol toebedeeld krijgt van John Malkovich. Nog grappiger is dat de rol op een buitenaardse manier wordt overgenomen door het hoofdpersonage – een poppenspeler die aanvankelijk weinig successen boekt tot hij op een dag voor een miraculeuze ontdekking komt te staan – en vervolgens door een reeks andere personages, wat uitmondt in een hilarisch plot waar parallelle werelden tot de dagelijkse realiteit behoren. Het is een niet zo subtiele verwijzing naar de nieuwsgierigheid of wil van mensen om de dagelijkse sleur op andere manieren te ervaren. Thema’s zoals het hebben van succes, gender en liefde komen in deze film op verrassende wijze aan de oppervlakte. Ook voor de architectuurliefhebbers onder ons is dit pareltje een must-see, niet alleen omdat de ervaring van ruimte meerdere dimensies blijkt te hebben, maar ook omdat een verdiepingshoogte van drie meter niet altijd en overal de standaard is of is geweest.



GRAFIEK

V.l.n.r.: Laure Machtelinckx, Fauve Boone,Alice Deleu, Evelien Dignef (2x), Nicolas De Wispelaere
Eindredactie: Lou Sanders, Chiara Kuijpers, Tessa Heyninckx
Layout: Seppe Feijen, Laure Machtelinckx, Jona Van Eetvelde
Kleur: #f23d67







Tapijt

November, de kou waait België binnen en het duister neemt de overhand. Hoog tijd om naar binnen te keren, om warmte, geborgenheid en stilte op te zoeken. Waar kan dat beter dan op een tapijt?

"Een tapijt is vloerbedekking van textiel die bestaat uit een drager van jute of kunststof waarop een bovenkant, de pool, is aangebracht van losse draadeinden of lussen van materialen zoals wol, kunstgaren, katoen of sisal."

Dit is hoe Wikipedia het zou beschrijven, maar er is natuurlijk ook nog deze redactie. Het tapijt heeft fundamenteel verschillende eigenschappen dan de meeste andere elementen en materialen waar onze architectuur uit bestaat. Het is een textiel: zacht, plooibaar en isolerend.
Vandaag is het tapijt nog niet verdwenen, maar verloor het wel zijn onmisbaar statuut in een interieur. Tijd om daar verandering in te brengen. Doe gerust je schoenen uit, dit ‘element van elementen van de architectuur’ zal jouw voetjes wel kunnen verwarmen!

In deze editie laten we eerst Adolf Loos aan het woord over het tapijt. Vervolgens bieden we u een blik in het schetsboekje van Laure. Laura en Lou schrijven over de inherente tegenstelling in het woord bloementapijt. KUKO voorziet ons opnieuw van hun Antrobopject. Ruben dicht over een tapijt in de Atlas. Milène trok de stad door met haar camera, en werd alles behalve warm ontvangen. Nicolas vertelt over bakstenen tapijten in het straatbeeld. Koen komt opnieuw aan het woord met zijn bedenkelijke fantasieën. Daarnaast droomt Laure weg van tapijten en meren. Seppe pleit voor een herwaardering van tapis plein, en Anton rolt een tapijt uit op een dak. Tenslotte schreef Lamia nog twee filmrecensies.



Loos spreekt

“Is er iets veranderd? Laat mij deze vraag beantwoorden. Imitatie en surrogaatkunst beheersen nog altijd de architectuur. Ja, meer dan ooit. De afgelopen jaren had je zelfs mensen die zich tot pleitbezorgers van die stroming uitriepen (eentje natuurlijk anoniem, omdat de kwestie hem niet zuiver genoeg leek), zodat de surrogaatarchitect niet meer minnetjes langs de kant hoeft te staan. Tegenwoordig spijkert men de constructie met aplomb aan de gevel en hangt men de ‘draagstenen’ artistiek gerechtvaardigd onder de hoofdlijst. Hier, jullie herauten van de imitatie, jullie makers van gesjabloneerd inlegwerk, van je-huis-verpestende-vensters en papier-maché hompen, hier in Wenen ontwaakt voor jullie een nieuwe lente, de grond is vers gemest! Maar is een woonruimte die helemaal bekleed is met tapijten dan geen imitatie? Muren worden toch niet met tapijten gebouwd? Natuurlijk niet. Maar deze tapijten willen alleen maar tapijten zijn, geen muurstenen. Ze willen nooit voor muurstenen worden gehouden of met kleuren of patronen muurstenen suggereren, maar ze brengen hun betekenis als bekleding van muurvlakken duidelijk naar voren. Ze beantwoorden aan hun doel volgens het principe van de bekleding.”

Adolf Loos, Het principe van bekleding, Neue Freie Presse, 1898


SCAN HET ELEMENT

Laure Machtelinckx


(Bloemen)tapijt

Voor wie in de zomer van 1998 toevallig in Aarschot was, kon er tijdens een uitje een kleurrijk kleed van begionia’s aantreffen op een onbemand stukje land. Liggend aan het eind van een doodlopende straat plantte Berlinde De Bruyckere er dit bloementapijt van achttien op zevenentwintig meter neer. Als een fata morgana daar in het Vlaamse veld, verschijnt het in gedachten binnen het ontologisch veld van het tapijt. Want wat is het zijn van een bloementapijt? Is het geen oxymoron? Annihileert ze niet in haar vergankelijkheid en fragiliteit wat het betekent om tapijt te zijn?

Het eerste middel om een binnen te maken, zo duidt Bart Verschaffel , is het scheppen van een vloer, het maken van een aarde-bedekking. Een tapijt bedekt zo ook en brengt een hier en daar tot stand. Dit verschil dat ze altijd teweegbrengt in de ruimte, maakt zo een toe-eigening mogelijk. Je kan eten, slapen of converseren op het tapijt. Het bloementapijt doet echter het omgekeerde: ze bedekt maar maakt desondanks enige toe-eigening onmogelijk. Je kan er niet op eten, op slapen of op converseren. Het is niet robuust genoeg en sluit door haar fragiliteit zo gebruik tijdelijk uit. In het bedekken ligt dan ook de eerste belichaamde oxymoron van het bloementapijt.

Een bloem bloeit, ze groeit. Open. Ze sluit en verwelkt, verdort, verschrompelt ineen. De kleine schepseltjes der aarde gaan te werk tot er niets meer rest behalve humus en mineralen.
        



Zo groeit en bloeit maar eveneens vergaat het bloementapijt. Haar rijke schakering aan kleuren, haar intense geur resten nauwelijks langer dan een paar weken. In de vergankelijkheid ligt de tweede belichaamde oxymoron van het bloementapijt. Het architecturale bedekken vecht tegen de tijd, terwijl de bloem, die geeft zich over. Onderhevig aan het natuurlijke verweer, legt het bloementapijt de tijd tevens bloot. Zelfs in het gedroogde bloementapijt, waar de tijd op pauze is gezet, komt deze naar boven drijven. Een ander werk van De Bruyckere - I Never promised you a rose garden - alludeert zo naar deze ingevroren vergankelijkheid. Loden bloemen in manden, misschien wel het bloementapijt gemaaid nog voor ze kon verdwijnen, voor altijd geconserveerd in tijd.

Het oxymoron bloementapijt maakt duidelijk wat het al dan niet vermag. Het figuratieve lijkt het enige wezenskenmerk te zijn dat ze nog lijkt te delen met het tapijt. Hetgene wat ze niet deelt, werkt als een spiegel: fragiliteit en vergankelijkheid. Ze verdrijven het lichaam naar de rand indachtig aan wat mogelijk kon zijn op deze plek.

Laura Vandermijnsbrugge en Lou Sanders


Antropobject

Bismillah. Deels bekleed met een vertrouwde warmte, ontwaakte ik op het ritmisch geneurie van Mecnun. Met zijn voorhoofd tegen mijn rug bracht zijn gebed trillingen teweeg die over mij heen kropen als een licht warm briesje eind september. Zijn knieën zakten tussen mijn manen Allah Akbar, zijn voettippen klampten zich vast aan mijn vel Allah Akbar en zijn handen kropen voorbij mijn rand Allah Akbar. Dit deed hij elke ochtend gedurende een half uur en het was voor mij de ideale manier om langzaam te ontwaken uit een diepe slaap. Esselamu. Het motief van zijn bede klonk nog op de achtergrond toen een kleine, lichte voetafdruk zich gehaast en onstabiel op Mecnun wierp. Iets tussen gelach en nog ongedefinieerde woorden kwamen uit Hafiz’ mond, waar de vader al snel op antwoordde met liefkozingen, proberend hem op te vangen. Hij verloor echter zijn evenwicht en ik ving zijn val op. Nog voor zonsopgang rolde Mecnun mij al krullend in mijn eigen omhelzing. Terwijl water voor de thee kookte, werd ik opnieuw open gerold door Hafiz. De sloeber wikkelde zich om mij en al zijn speeksel en kruimels smeerden zich uit tussen mijn draden. Ik voelde me een vies lapje. Een paar fijne schoenen veroorzaakte steeds meer hevige bevingen, totdat ik werd doorboord door een helse hak. Leyla pakte Hafiz vast. Er kwam een last van mij af. Ze schudde met haar hoofd. Viezerik. Vervolgens schudde ze me uit. Desondanks bleef de meerderheid van de kruimels aan mij vastgeplakt zitten. Leyla bergde me vervolgens terug op. In mijn eigen omhelzing kon ik bekomen van een hersenschudding.


Tekst: KUKO., Grafiek: Evelien Dignef


Het liggend tapijt


Ergens in de Atlas zit ik met een verrekijker te grasduinen in het landschap.
Een dorbruine helling met verstrooid groen strekt zich voor mij uit.
De aanwezigheid van de tegenoverliggende buren toont zich subtiel.
Een baan, kleinere wegjes, huizen en een ... leegte?
Een grote horizontale rechthoek genesteld in de glooiingen van de natuur.

Het niets-zijn van de uitvlakking maakt een krachtig gebaar. Hier heeft de mens gewonnen. De natuur is getemd. Door het simpel contrast met het omliggende landschap ontstaat een ruimte op schaal van de gemeenschap.
Zelden was de meerwaarde die minder kan bieden voor mij zo tastbaar.

-

Ik stel mijn verrekijker nog eens scherp.
Er lijken figuren te spelen op dit terras.
Zij genieten van de avondzon op hun liggend tapijt.


Ruben Ulens

Welcome?



Milène Senden


Stedelijke wandtapijten

In “Die vier Elemente der Baukunst” beschrijft de 19e-eeuwse theoreticus Gottfried Semper - verrassend genoeg - vier elementen van de architectuur: het vuur, het textiel, het houten kaderwerk en het aardewerk. Vuur ligt aan de basis van de samenleving. Het stelt ons in staat om voedsel te braden, water te koken, metaal te smelten en de nacht te vergeten. Het voert de lijst aan, maar een kampvuur is nog geen architectuur.

We gaan terug naar de rondtrekkende, jagende en voedsel verzamelende homo sapiens. Architectuur begint bij de eerste tent, waarbij een stuk textiel over een houten kader wordt gespannen. Textiel: de vrucht van het immense geduld van onze voorouders om talloze vezels ritmisch en kruislings te schikken. Het houten kader: het resultaat van het besef dat afgevallen takken meer functies kunnen hebben dan enkel een stok om mekaar de kop in te kloppen. De twee elementen hebben elkaar hard nodig om ruimte te maken. Zonder het kader kan textiel geen vorm aannemen, en zonder textiel biedt een houten kader geen bescherming. Architectuur ontstaat uit dit verstandshuwelijk. Zijn verschijningsvorm drukt die wederzijdse afhankelijkheid haast poëtisch uit: aan de oppervlakte zie je alleen het textiel, maar wel in de vorm van het onderliggende kader. Beide elementen tonen exact wat ze doen: afscheiden en recht houden.

Dit verandert bij de komst van het aardewerk. De woning van de sedentaire mens is er geen van twijgjes en vodjes, maar van steen. Door verschillende keien te stapelen, verkrijgt men een constructie die zowel de afscheidende rol als de dragende last op zich neemt. Sterk. Stevig. Compromisloos. Bestand tegen boze wolven. De wanden van de tent zijn muren geworden. De dualiteit van de filigrane structuur heeft plaats gemaakt voor de onverbiddelijke monotonie van de massieve constructie.

En toch is een massieve stenen muur allerminst monoliet. Net als bij weefwerk worden kleinere eenheden repetitief en kruislings samengelegd om een geheel te vormen met superieure kwaliteiten. De ambacht van het schikken van deze eenheden – hoe technisch ook – bezit een esthetische waarde en zet de deur daarmee open naar een eigen vorm van kunst. Een goede wever weeft niet zomaar lappen stof, maar rijkversierde kleden en tapijten. Een goede metser doet hetzelfde.





Nicolas De Wispelaere


Koen

Koen zag het oude tapijt in de hal liggen. Mensen liepen met snelle tred over het doek, aarde vallend uit hun schoenzoolkieren, het tapijt bevuilend. “Was ik maar een tapijt”, dacht Koen. Het verlangen om bevuild te worden door onbekenden vrat aan hem. Hij probeerde zich te be-dwingen, maar tevergeefs. Net zoals nimf Daphne in een laurierboom verandert in Ovidius’ werk Metamorfosen, onderging Koen een dramatische gedaantewisseling naar een Tibetaans tapijt uit de 15e eeuw. Hij genoot met volle teugen van de intense ritmische contactmomenten tussen schoenzool en zijn huidige verschijningsvorm. Na ettelijke uren verstreek de gedaantewisseling plots. Daar lag hij dan, op de grond, naakt met een erectie in de inkom van de Vooruit.


Louis Cocquyt en Kasper Habtie








Op ons meer


Laure Machtelinckx


Tapis plein

Op de vloer van de leefruimte bij me thuis ligt er een tapijt dat als gegoten tussen de kast en de zetel past. De ruimte heeft twee helften: enerzijds de eet en werkkamer, met één tafel en een koude en harde vloer, en anderzijds de zitkamer met het tapijt en allerlei zitbanken, kasten en planten. De nauwkeurig ingepaste plaatsing geeft de indruk dat het tapijt als een tapis plein gelegd is. Hoewel soms een beetje stoffig, voelt het tapijt aangenaam en warm, waardoor je overal lekker op de grond kan zitten. Je ervaart de ruimte echt als één, als afgescheiden van de werkruimte, als een zachte cocon om tot rust te komen.

Deze vaststelling deed me over een aantal dingen nadenken.
Eerst, simpelweg, hoe schrijf je Tapit plain? Tapiplijn? Tapi-plein? Toch gewoon tapis plein dus.
Tweedst, complexer, waarom heeft de gehele architectuurcultuur unaniem beslist om tapis plein, kamerbreed tapijt op z'n Vlaams, te bannen uit de smaakvolle interieurs? Wat heeft deze hachelijke architecturale vacht ons misdaan? Hoe zijn we van de wall-to-wall carpet loving 80's naar deze kale, kleurloze, botte binnenvloeren van vandaag gegaan?

Deze tekst vormt mijn bescheiden pleidooi voor dit prachtig vergeten vloerkleed. In een aantal zelfverzonnen scenario’s probeer ik de architecturale kracht en potentie van tapis plein naar boven te halen. Aan jullie om het terug in te voeren in de architectuur.

Luidkeels rap je mee op Ms Rona terwijl je grondig in je haar staat te wroeten. Omdat je zomergevoel deze dagen al genoeg gekleineerd is, laat je de douche nog lekker aanstaan. Er is geen handdoek, maar dat is geen probleem. Vanuit de douche duik je op een hemels zachte, warme grond van zijde. Je rolt en schuurt en tuimelt op het tapis-plain totdat alles volledig droog is.

Zebrapad, fietspad, voetpad, …, tapis-plein-pad? Zoals elke vrijdag plof je weer neer om weer lekker te mensenkijken op je zachte voortuin van tapis-plein. Gedaan met de straat als uitsluitend circulatiezone, weg met boulot-metro-dodo, en rot op met het gerace. Het tapis plein claimt de straat met een doorlopende welkomsmat, een gereserveerde ruimte voor de bomma en haar witte tuinstoel, voor de handstand van het kleine meisje, voor de borrel van de postbode en voor de ochtendyoga van de student.

Een essentiëler architectuur kan ik me nauwelijks voorstellen. Een rechthoekige lap grond, beschut door het dak en 'bezacht' door het tapis plein. De ruimte is duidelijk gedefinieerd en afgebakend, auto en fiets gaan er netjes omheen, en dat zonder enige fysieke omheining. Dit is een zachtaardige oase binnen de harde stad, een stedelijke ontmoetingsplaats voor blootvoetigen en zondagskinderen. Hier speelt een straatmuzikant, daar oefent een breakdancer, en iets verder wordt een fles porto gedeeld. De plek fungeert als een enclave van enkel positieve gemoedsrust in een stad geregeerd door efficiëntie, snelheid en kapitaal.


Tekst: Seppe Feijen, Illustratie: Tessa Heyninck


Wanneer tapijt architectuur maakt.

Mijn vorige kot had een dakje, zo’n plat exemplaar bedekt met roofing waarop je kan gaan zitten. Hoewel de eigenaar van het kotgebouw meermaals reutelde over de onstevigheid van het uitstulpsel, maakte ik er veelvuldig gebruik van. Ik zag het als ruimtelijke uitbreiding van binnen naar buiten. Het dak zelf stelde niet veel voor: het is de bedekking op één van de vele aanbouwsels die je wel vaker terugvindt in de Belgische DIY-wooncultuur.

Op een dag, ergens in het voorjaar, legde ik mijn tapijt buiten op het dak. Ik gooide er nog wat kussens tegen aan en plofte mij neer. Het was mij welletjes geweest met al dat binnen zitten. In de daaropvolgende maanden ging er geen dag voorbij zonder het gebruik van mijn tapijt-op-plat-dak. Je kon er liggen en naar de sterren turen. Je kon er eten en drinken, denken, lezen, tekenen, muziek luisteren, of gewoon zijn. Wanneer zitten in de publieke ruimte plots verboden werd, kwamen de mensen met alternatieven. Er is immers genoeg verspilde ruimte die niet wordt benut, en ik zeg: “Zonde!” En toen bedacht ik me dat architectuur het best kan helpen met weinig middelen. ‘Less is more’ klinkt zo vanzelfsprekend, maar wordt pas duidelijk wanneer je het beseft vanuit de ervaring. De enige ruimte die niet op overschot is, is ademruimte, mentale ruimte. Het tapijt en het dak, dat laatste een restruimte, bleek de gouden combinatie tot onvergetelijke momenten. En vraag ik me af, is dat niet de essentie van het leven, die momenten?

Architectuur maakt ruimte, het begrenst, het definieert – hetzelfde geldt voor het tapijt. Hoe aangenaam het gezelschap ook moge zijn, de architectuur kan dat tikkeltje verschil maken in de beleving. De ervaring van ruimte is immers tweeledig: mentaal en fysiek. Vandaar zeg ik u: “Gooi uw stoelen weg, en koopt uzelf een goed tapijt.” En vooral: “Ga zitten!” En gij zult een vrijheid voelen die gij nog nooit eerder hebt ervaren. Het is zó vanzelfsprekend om op een stoel te gaan zitten of in een zetel te ploffen dat je bijna zou vergeten hoe het anders kan.

Beseffen doe je pas wanneer je even ontsnapt aan de gewoonte.



Anton Vanneuville


RECENCIES

AMMONITE, FRANCIS LEE, UK & Australië, 2020

Mary Anning was een autodidacte en paleontoloog, wat niet evident is in de negentiende eeuw en al zeker niet als vrouw. Haar vondsten droegen bij tot de geschiedenis van de prehistorie. In Ammonite zien we haar (dubieus fictioneel) hartstocht met Charlotte Murchison.

Het verhaal focust bewust op de relatie van de twee dames en niet op hun homoseksualiteit. Een goed bedoeld opzet dat wil bijdragen aan de "normalisering" van niet-hetero relaties. De context echter waarin we de liefde zien groeien maakt het moeilijk voor de kijker om erin te geloven, hoe subliem en subtiel de acteerprestaties van Kate Winslett en Saoirse Ronan ook zijn. De grootste struikelblok in die zin zijn de onverwachte seksscènes. Terecht dat het niks wil verstoppen en onverbloemd hun passie toont maar het ritme waarin ze in de film gegooid worden, is ongelofelijk nonchalant. Het werkt shockerend, wat niet strookt met de intentie van de film.

Daartegenover is de soundtrack enorm mooi en speelt de muziek op zeer nauwkeurig gekozen momenten. Samen met een voorzichtige framing van de melancholische Engelse kust kom je in een rustige bedwelming. De visuele ervaring zit juist, maar jammer van het gebrek aan nuance in het verhaal.





120 BATTEMENTS PAR MINUTE, ROBIN CAMPILLO, Frankrijk, 2017

“120 battements par minute” volgt de activistengroep "act up" tijdens de aidscrisis van 1990 in Parijs. In het begin volgt de film de bijeenkomsten van de groep, zonder een voorgelegde focus in een semi-documentaire stijl. Er ontbreekt een duidelijk hoofdpersonage waardoor je meer opgaat in de problematiek. De autobiografische getuigenissen van de regisseur, waar de film op gebaseerd is, geven het verhaal extra realistische laag. Op een vrijblijvende manier, krijg je een situatieschets van de ambities van de groep.

Geleidelijk aan groeit vanuit de bijeenkomsten een verhaal over de relatie tussen twee leden van de groep, de militante Sean en nieuwkomer Nathan. De romantiek tussen Sean en Nathan laat aanvankelijk met je ogen rollen. Toch zit er altijd iets ongewoons vervat in de clichés, HIV. Naarmate de film vordert wordt het duidelijk dat het meer rond om hun persoonlijke strijd tegen aids draait, eerder dan hun relatie.

Omdat alles in het begin neutraal wordt gepresenteerd, laat het eerste deel de kijker onverschillig. Naarmate de film vordert wordt het steeds persoonlijker en raakt het meer. Het verdriet, dat de verschrikkelijke ziekte veroorzaakt, is schrijnend. Dit is echter geen trieste film. Het gaat over de strijd, die niet alleen lgbtq moet leveren, tegen de onwetendheid. Het menselijke blijft zeer aanwezig. Daar slaat de regisseur de nagel op de kop want dat maakt het een eerlijke film.


Lamia Kocaman


GRAFIEK






V.l.n.r.: Lauranne Vandenbussche, Anton Vanneuville, Evelien Dignef, Nicolas De Wispelaere, Evelien Dignef, Laure Machtelinckx, Laura Vandermijnsbrugge, Milène Senden
Eindredactie: Lou Sanders, Chiara Kuijpers, Tessa Heyninck
Layout: Seppe Feijen, Laure Machtelinckx, Jona Van Eetvelde
Kleur: #072bb8



Schoorsteen

December, de maand waar plots één element in de woning meer dan andere maanden extra in de belangstelling staat. De schoorsteen hoort misschien net iets meer bij ‘de elementen van de architectuur’ in plaats van ‘de elementen van de elementen van de architectuur’, maar daarom is hij des te interessant.
Als je schoorsteen zegt, zeg je automatisch ook schouw. Deze twee vormen elkaars wederhelft, ze vormen de interne en externe appendix van hetzelfde orgaan; de één als landmark, als nestplaats, als rookgargouille, de ander als warmtebrenger, als Hestia-figuur, als voedselpreparateur, als verbrander. Hoewel dit nummer dus schoorsteen heet, was het onmogelijk om de schouw uit te sluiten.
Deze editie is lijviger en diepgaander dan ooit, met enorm veel referentieprojecten en foto’s waarop we onze teksten op konden ijken. Aan-schouw deze geladen laatste editie van 2020! Kruip uw dak op, of veiliger, zet u naast de haard, want ‘de schoorsteen’ knettert als laatste editie van 2020, het jaar 2021 stevig in!

Vooreerst schotelen we u een cadavre exquis voor, een surrealistische collaborative drawing waar elk om beurt zijn deel tekent, zonder elkaars werk te zien. Vervolgens pleit Nicolas voor een industrie in de stad, mag u opnieuw eens piepen in het schetsboek van Laure, en leidt Johan u door een aantal obscure schouwen uit de architectuurgeschiedenis. Milène en Evelien onderzoeken de schouw in het werk van respectievelijk oude en nieuwe meesters. Anton en Thibault tonen vier foto’s uit hun collectie in een kleine slideshow (!), waarna Seppe de schoorstenen van een aantal interessante crematoria uit de doeken licht. Thibault legt een aantal pijnlijke gedachtegangen in onze maatschappij bloot, Koen doet aan architectuur en Milène fotografeert op Bechers wijze een aantal schoorstenen. Lauranne en KUKO. Fantaseren over de schoorsteenveger, en tenslotte recenseert Lamia De Modernisten.



Cadavre exquis



Tais-toi et sois belle?

De schoorsteen van de stedelijke elektriciteitscentrale aan Ham torent hoog boven de Gentse skyline uit. Als een vierde toren van Gent stak hij tot de jaren ‘90 een enorme middelvinger uit naar de propere lucht. Anno 2020 is de boodschap van de schoorsteen een stuk aaibaarder. Er werd een intercultureel ontmoetingscentrum ondergebracht in de steenkoolcentrale. Ongetwijfeld fijn voor de buurt en de lucht die de Gentenaars inademen. Het is ook gebruikelijk voor stadsbesturen in België en West-Europa om oude fabrieksgebouwen om te vormen tot cultuurhuizen of shoppingcentra. Een elektrische bakfiets ziet er nu eenmaal beter uit wanneer we hem tegen een muur van gerecupereerd metselwerk kunnen parkeren, en een Salted Caramel Espresso Frappuccino smaakt nu eenmaal beter in een oude turbinehal. De moderne stedeling voelt zich zodanig thuis tussen de restanten van industrie, dat hij zou vergeten dat die industrie nog steeds bestaat. Terwijl industrieel erfgoed de rijzende ster van de stad wordt, is de industrie zelf steeds minder aanwezig in die stad.

De productie van onze goederen en diensten gebeurt bijna uitsluitend in havengebieden en industrieparken langs vlotte invalswegen. Iedereen lijkt daarmee tevreden. Fabrieken kunnen ongeremd uitbreiden en vervuilen, en de stad heeft geen last meer van vrachtverkeer en onfrisse geurtjes. Extreme gevallen zoals Umicore in Hoboken of Tereos Syral in Aalst, die een gevaar vormen voor de plaatselijke bevolking, bevestigen die gedachte. Maar wat is het gevolg voor de architectuur van de industrie? Ontelbare, anonieme stalen dozen naast elkaar? En misschien nog erger: wat blijft er over van de stad? Een historisch themapark vol Zara’s, Casa’s en Hema’s? We komen steeds minder op de plekken waar onze producten worden gemaakt, en op de plekken waar we graag komen worden steeds minder producten gemaakt. Als we bedenken dat de Europese metropool ontstond rond de fabriek, hoe moet die metropool er dan uitzien als de fabriek er niet meer in past? Zelfs de middeleeuwse stad was een plek waar bij uitstek dingen gemaakt werden. Hoe kan de stad van de 21e eeuw zo’n plek blijven? Kortom, hoe houden we industrie stedelijk en steden industrieel?

Be grateful!
Gelukkig bestaan er reeds een aantal hoopgevende antwoorden op die vraag. We beginnen - waar anders? - in ‘t stad. NoAarchitecten pootte in Antwerpen het project Petrol neer. De invulling van dit bizarre bouwsel bestaat uit een onderstation van stroomverdeler Elia, een stuk infrastructuur dat op zich niets aan de verbeelding overlaat. Het project heeft echter twee troeven: de installatie moet enkel toegankelijk zijn voor onderhoud én het bevindt zich op een zichtbare hoek van een straat. Dat laat de architecten toe om een gebouwhuid te ontwerpen met een minimum aan randvoorwaarden. De elektrische installatie wordt omwikkeld met een opvallende schil van blauw beton, zonder logo’s of aanduidingen over wat er binnenin gebeurt. Alleen een grote “kieuw” in de voorgevel doorbreekt het monotone balkvolume en prikkelt meteen onze fantasie. Ademt dit ding? Een voorbijganger verwondert zich over de binnenkant van deze buitenaardse verschijning. Voor zijn part wordt er chocolade gesmolten of aan een geheim ruimteprogramma gesleuteld. De verbeelding slaat op hol bij dit ordinair stuk netinfrastructuur, dat niemand ooit een blik waardig zou gegund hebben. Nochtans, onterecht! Onze onverschilligheid tegenover deze schijnbaar evidente nutsvoorziening, doet ons haast vergeten welke sprong de mensheid nam toen hij destijds voor het eerst de kracht van de elektron temde. De mogelijkheden vanaf dat moment werden eindeloos! Laat ons niet vergeten met verwondering en dankbaarheid te kijken naar de wondere wereld die wij als mensen voor onszelf gebouwd hebben!


Be body-positive!
Een ander wonder van de techniek is de elektrische tram. Hoewel het ooit anders was, is de tram in België vandaag een bijna exclusief stedelijk fenomeen (op de zeedijk na). De Lijn opereert veertien tramlijnen in Antwerpen, die elk van stroom moeten worden voorzien. Vaak vertaalt dit zich in grijze kastjes of donkergroene cabines, al dan niet weggemoffeld in een haag of achter een boom. Zoals de trouwe knechten van de Sint, profiteer je wel van hun aanwezigheid, maar zie je ze niet. Voor het nieuwe tramnetwerk dat het noorden van Antwerpen moet ontsluiten, wordt voor een andere strategie gekozen. Architecten Van Belle & Medina mogen op drie plekken langs de verbinding een elektriciteitscabine neerzetten: langs een brughoofd, in een park en naast het veelbesproken Havenhuis van Zaha Hadid. De ontwerpers willen de cabines niet reduceren tot het uiterste minimum, alsof ze zouden vrezen een doorn in het oog van de Antwerpenaar te prikken. Integendeel, ze kiezen net voor een gezonde overmaat, waardoor de resulterende bouwwerken de ademruimte krijgen om te interageren met hun omgeving. Het resultaat is een reeks “folly’s” langs een stedelijke wandeling, autonome objecten die op de rand van architectuur en installatie balanceren. Hun anekdotische, bakstenen bogen roepen een beeld op dat in onze halfsteense Belgenbreinen meteen als stedelijk wordt aanvaard. Ze liegen niet over de reden van hun bestaan: bezoekers kunnen ze noch betreden, noch voor andere doeleinden gebruiken. Ze creëren wél plekken die stedelijkheid uitstralen: een nis om tijdens een plensbui te schuilen, een plas schaduw om op een warme zomerdag te picknicken, een bescheiden uitkijkplatform, of simpelweg een punt om af te spreken. Dat alles zonder in te boeten aan functionaliteit: techniekers van De Lijn kunnen nog steeds hun werk uitvoeren wanneer nodig. Als we de moed hebben om nutsvoorzieningen los te koppelen van hun negatieve bijklank als pretbedervers van het stedelijk schoon, kunnen ze ons helpen de stad te appreciëren voor wat het is: een levend lijf dat naast sieraden en mooie kleren, ook organen nodig heeft om zich goed te voelen. Dat hoeft niet lelijk of storend te zijn!

Be proud!
Genoeg over de Scheldestad, op naar de parking! We keren terug naar de Arteveldestad, waar maatwerkbedrijf Ryhove in 2013 voor een belangrijke keuze stond. Hun gebouwen in de buurt van Rooigem hadden hun beste jaren gehad. Er waren twee mogelijke oplossingen: verhuizen naar een nieuwe site in de Gentse periferie of de bestaande site reorganiseren. Aangezien Ryhove als beschutte werkplaats veel mensen met een beperking uit de directe omgeving tewerkstelt, koos het bedrijf ervoor om in de stad te blijven. TRANS architectuur & stedenbouw sloopt de verouderde gebouwen, en lost de knelpunten van de site op in één allesomvattende ingreep. Het nieuwe gebouw, dat voornamelijk de administratie huisvest, bakent een open plek af middenin de site. Vrachtwagens kunnen onder het kantoorgebouw doorrijden om hun goederen af te leveren in het hart van het complex. De draaicirkels en laadbruggen van de vrachtwagens vloeien in één beweging rond, onder en tussen dit gebouw. De afstand die goederen moeten afleggen wordt zo aanzienlijk kleiner, en de ijverige bezigheid wordt zo zichtbaar tot in de kantoorruimtes. Het complex richt zich bovendien naar buiten, naar die omgeving die ze verkozen boven een bedrijventerrein. De naakte, betonnen structuur van het nieuwe gebouw laat er geen twijfel over bestaan dat dit een industrieel complex is, en toch past het als gegoten in de residentiële wijk. De herhalende zadeldaken uit CLT voelen vertrouwd aan, zonder een karikatuur van “het huis” te worden. De bovengenoemde betonstructuur neemt het ritme van de woonpercelen aan. De verdiepingen van het kantoorgebouw verschillen een half niveau van de aanpalende woningen. Resultaat: de directe inkijk in de salon of slaapkamer van de buren wordt beperkt én de ondergrondse parking krijgt een kans op natuurlijk daglicht. Dit ontwerp van TRANS doet een mens twijfelen waarom het ooit een optie was om hier weg te trekken. De honderden werknemers van Ryhove worden niet weggestoken in een anoniem magazijn, ergens tussen Moleneinde en Zaffelare. Ze blijven op de plek waar ze al jaren werken, zien het bedrijf samen met hen groeien en kunnen trots zeggen: “kijk, hier werk ik!”



Be brave!
De kanaalzone in Brussel staat in volle bloei. Aan pioniersprojecten geen gebrek: de Gare Maritime (grootste houten kantoorgebouw van Europa), het Herman Teirlinckgebouw (grootste passief gebouw van ons land) en ZIN (hergebruik van bouwmaterialen op een ongeziene schaal). Maar wat deze buurt écht uniek maakt, is de alomtegenwoordige havenactiviteit. Het Materialendorp van TETRA architecten is hier al een uitstekende uiting van, maar nog ambitieuzer zijn de plannen van de betoncentrale Inter-Beton. BC Architects stelt een overkapping voor over de productiesite, die stof en lawaai zou tegenhouden. Op de overkapping zouden niet alleen kantoren komen, maar ook een feestzaal. Kantoren genoeg in Brussel, maar vooral die feestzaal is de perfecte bovenbuur van de betonboer. Niet alleen vinden er zo de klok rond activiteiten plaats op de site, daarnaast worden twee luide functies gebundeld op een plek waar ze buurtbewoners niet storen. Brusselaars zouden de voorheen hinderlijke betoncentrale in hun hart sluiten en de betoncentrale zou op zijn beurt ongestoord zijn activiteiten in Brussel kunnen verderzetten. Helaas blijft het bij plannen. Inter-Beton trekt zich terug uit de plannen, en laat zo een berg aan kansen liggen. Het vergt moed om zichzelf opnieuw uit te vinden.



Yas Queen!
Mensen maken de stad. En mensen doen meer dan winkelen en terrasjes. Ze werken, ze maken dingen. Stroomvoorziening, voedselproductie en materiaalbewerking zijn even essentieel voor de stedelijke dynamiek als een winkelstraat en een marktplein. Laten we die diversiteit dan ook vieren in de stad! Steek de ruwe werkelijkheid niet weg achter opgepoetste geveltjes! Stuur het ongebruikelijke niet weg uit schrik eens iets anders te zien! Tais-toi et sois belle? Neen! Leef, stad! Leef, beweeg, verander, doe, maak, stink, shockeer, probeer, leer, groei en toon het!


     

Nicolas De Wispelaere

SCAN HET ELEMENT

Laure Machtelinckx


Favoriete element van ...
                ...Johan Lagae: De schoorsteen en het poché van de stad

Serendipiteit, in de betekenis van een “toevallige en onbedoelde vondst van iets nuttigs terwijl de zoeker er niet naar zocht of naar iets anders zocht”, ligt aan de basis van de centrale foto die ik uiteindelijk koos in antwoord op de uitnodiging van dlk om iets te schrijven over de schoorsteen [Fig. 2]. Aanvankelijk dacht ik iets te schrijven rond de ontwerpen voor schouwmantels die de 18de-eeuwse architect, etser, uitgever, archeoloog, antiquair en intellectueel Giovanni Battista Piranesi heeft samengebracht in zijn in 1769 uitgegeven bundel Diverse Maniere d’adornare I cammini. Ik leerde Piranesi, net zoals jullie, kennen door de lessen architectuurgeschiedenis van Dirk De Meyer. Diens schouwmantels fascineerden me onmiddellijk omwille van mijn interesse in het fenomeen van de 18de-eeuwse Egyptomanie dat Dirk Syndram in zijn boek Ägypten-Faszinationen: Untersuchungen zum Ägyptenbild im europäischen Klassizismus bis 1800 (1990) op indringende wijze heeft beschreven en ook het onderwerp van mijn masterproef zou worden [Fig. 1].


Fig. 1. Giambattista Piranesi, Camino egizio con tre figure feminili ignude alla base de ogni montante, uit Diverse Manieri d’adornare i cammini, 1769 (gereproduceerd in : Maarten Delbeke, Dirk De Meyer, Bas Rogiers & Bart Verschaffel (eds.), Piranesi. De prentencollectie van de Universiteit Gent, MSK – A&S/books, Gent, 2008, p. 78)

Toen ik onlangs na een zoveelste lange, online vergadering mijn gedachten even wou verzetten, nam ik, eerder lukraak, een boek uit mijn kast dat ik al heel lang niet meer had geopend: Architecture Transformed. A History of the Photography of Buildings from 1839 to the present (1987). Mijn oog bleef hangen bij figuur 55 met bijhorende legende: “Henri Le Secq. Demolitions on the Île de la Cité, 1853. Albumen silver print. Musée Carnavalet, Paris ». Snel online onderzoek van de website van het Musée Carnavelet leerde me dat de foto eigenlijk van 1852 dateert en de afbraak van de Place de l'Hôtel de Ville afbeeldt [Fig. 2].


Fig. 2. Henri Le Secq (1818-1882), « Démolitions, 1852, Paris », collection Musée Carnavalet, Paris, n° inv : PH14109 (zie: https://www.parismuseescollections.paris.fr/fr/musee-carnavalet/oeuvres/demolitions-1852-paris#infos-principales)

Van het originele bouwblok zijn nog twee historische panden op een hoekperceel blijven staan. Op de blootgelegde zijgevel verschijnt een sterk grafisch patroon van geknikte zwarte stroken, dat bijna een hedendaags mural art-project lijkt, maar natuurlijk de roetlagen zijn, die achterbleven nadat de schoorsteenkanalen van het afgebroken pand helemaal waren ontmanteld. De schoorstenen die tussen de twee resterende panden hoog boven de daken uitsteken, suggereren hoe ver boven de daklijn die afgebroken rookkanalen oorspronkelijk reikten. Wie in het centrum van Parijs heeft rondgestruind in de straten en daarbij af en toe de blik omhoog heeft gericht, zal dat beeld kennen: schoorstenen die als verticale schijven hoog boven de daken uitsteken en daardoor het gevelfront ritmeren. Bruno Fortier heeft die markante daklandschappen weergegeven in enkele prachtige axonometrische tekeningen van Parijse bouwblokken die zijn opgenomen in zijn Atlas de Paris XIXe-XXe siècles. La métropole imaginaire (1989). [Fig. 3]







Fig. 3: Le passage du Caire : vue axonométrique, in Bruno Fortier (ed.), La métropole imaginaire. Un atlas de Paris XIXe-XXe siècles, Pierre Mardaga Editeur, Liège, 1989, p. 151.

De foto van Henri Le Secq toont wat in een dergelijk axonometrische zicht, net als voor wie gewoon door de straten van Parijs flaneert, onzichtbaar blijft, maar door het principe van de doorsnede bloot komt te liggen: schoorsteenkanalen, die samen met allerhande leidingen, ventilatiekokers, afvoeren en rioleringen de noodzakelijke technische uitrusting van het wonen en leven in de stad uitmaken. Wat we in de foto van Le Secq te zien krijgen, is het poché van de stad. Van oudsher staat het poché voor het zwart in de architectuurtekening, maar, zo schrijft Frank Sturkenboom in zijn De gestiek van de architectuur. Een leerboek hedendaags maniërisme (2017), het poché “was altijd het lage, het laagste in de architectuur, de onderlaag zelf. De massa in de doorsnede, de constructie, de technische ruimte, het gangenstelsel voor het bedienend personeel, de spoorwegzone, het riool.” En zo brengt de foto van Le Secq me ook weer terug naar Piranesi, die in een aantal platen uit de reeksen Vedute di Roma en Le Antichità Romane met archeologische precisie gekoppeld aan verbeelding het poché van Rome heeft blootgelegd: de aquaducten, de ondergrondse kamers van verwarmingssystemen, de ventilatiekanalen en de afvoeren.

Meer dan diens Carceri-reeksen, is het vooral dat aspect van het poché van de stad Rome dat me in Piranesi’s werk altijd is bijgebleven; datgene wat normaal verborgen blijft en enkel in de snede zichtbaar wordt. Maar naast het poché als onzichtbare technische ruimte van de stad, fascineert me ook de verbeelding die er onlosmakelijk mee verbonden is en die vaak, zoals Sturkenboom aangeeft, een duistere kant heeft, ook bij de schoorsteen. De schoorsteen is immers een verbindingskanaal waarlangs niet alleen Sinterklaas passeert, maar zoals het lemma ‘Schornstein’ in het 10-delige boekwerk Handwörterbuch des deutschen Aberglaubens aangeeft, ook boosaardige krachten (“Totengeistern, Hexen, Dämonen, usw.”) het huiselijke leven kunnen binnendringen1. Piranesi’s Egyptiserende schouwmantels kan je, in de lijn van het 18de-eeuwse architectuurdebat met zijn fascinatie voor de initiatierites van de vrijmetselarij en voor het grafmonument als ontwerpopgave, ook als poorten naar een andere wereld lezen. Het was dan ook geen toeval dat ik aan Piranesi’s schouwmantels moest denken, toen ik een tijd geleden de vraag kreeg om een tekst te schrijven over de architectuur in het werk van de Congolese BD-iste (of striptekenaar) Papa Mfumu’eto le premier, en daarbij botste op een aantal verontrustende tekeningen waarop vrouwen zijn afgebeeld die worden belaagd door geesten die uit het zwarte gat van de toiletafvoer via de riolering naar boven kruipen [Fig. 4].


Fig. 4: Plaat uit één van de stripverhalen van Papa Mfumu’eto le premier, van wie de archieven momenteel worden bewaard in de collecties van de University of Florida (zie https://news.clas.ufl.edu/from-kinshasa-to-gainesville/)

De zwarte rechthoek in Piranesi’s schouwen vindt zijn pendant in de ronde zwarte afvoer van de toiletten in Mfumueto’s strips. Beide vormen niet alleen de punten waar de -doorgaans onzichtbare- technische infrastructuur van de stad tastbaar wordt, maar ook een mogelijk contactvlak tussen de wereld van de levenden en die van het occulte, van de dood. Daarmee is meteen ook zoveel gezegd dat naast de schoorsteen, ook het toilet behoort tot de essentiële, en misschien wel existentiële "elementen” van de architectuur. Maar dat had Rem Koolhaas in 2014 natuurlijk ook al opgemerkt.

1 Mijn dank gaat naar Bart Verschaffel die me op het fascinerende Handwörterbuch des deutschen Aberglaubens wees dat oorspronkelijk verscheen tussen 1927 en 1942.


Laure Machtelinckx, Chiara Kuijpers en Warre Onnockx

Van Frank en Hestia

In 2002 schreef Bart Verschaffel het essay ‘de betekenis van de huiselijkheid’, ook gepubliceerd in zijn boek ‘van Hermes en Hestia’. In dit essay beschrijft Verschaffel de analogie tussen de Griekse goden Hermes en Hestia en de huiselijkheid. Hij stelt dat Hestia – de godin van de haard, het huis, architectuur, huiselijkheid en familie – voelbaar is in de haard, of het hart, van elk huis. Zij is de belichaming van het huiselijke gevoel; ze verbeeldt een soort moederlijke liefde. Hermes – de god met de vleugeltjes aan zijn schoenen – staat op zijn beurttoer symbool voor de dynamiek, de beweging en het leven in huis. Samen vormen Hestia en Hermes het perfecte duo; haar warmte tegenover zijn dynamiek.

Gottfried Semper beschrijft de archetypische waarde van het (haard)vuur. Hij verdeelde architectuur in vier elementen: de haard, het dak, de omwalling en de terp. Zijn boek ‘The four elements of architecture and other writings’ uit 1989 is een poging om architectuur te bekijken vanuit een antropologisch standpunt.

“The first sign of human settlement and rest after the hunt, the battle, and wandering in the desert is today, as when the first men lost paradise, the setting up of the fireplace and the lighting of the reviving, warming and food preparing flame. Around the hearth the first groups assembled; around it the first alliances formed; around it the first rude religious concepts were put into the customs of a cult. Throughout all phases of society, the hearth formed that sacred focus around which the whole took order and shape. It is the first and Gottfried Semper’s primitive hut most important, the moral element of architecture. Around it were grouped the three other elements; the roof, the enclosure and the mound, the protecting negations or defenders of the hearth’s flame against the three hostile elements of nature.”

Semper vindt de oorsprong van onze gehele samenleving in het maken van vuur en het creëren van de haard. Zo kunnen we stellen dat het Hestia-figuur niet alleen fundamenteel is voor ons wonen, maar voor elke vorm van samenleven.
De louter functionele Hestia - door Semper aangehaald: lighting, warming and food preparing – lijkt met de komst van de gloeilamp (of nu halogeen, LED), de centrale verwarming en het kookvuur verloren te zijn . Haar originele functies hebben we elk op hun beurt vervangen door modernere alternatieven. Toch wees Semper al op de sacred focus. Daarin gaat Hestia verder dan enkel het fysieke vuur; ze omvat in de eerste plaats een gevoel. De hedendaagse Hestia zal niet meer dezelfde vormen aannemen als een achttiende-eeuwse haard, maar ze zal wel nog steeds dezelfde emoties omvatten. Hestia herbergt een soort van centraliteit; een plek waar we ‘thuiskomen’. Haar warmte is dan misschien niet altijd fysiek voelbaar, emotioneel zullen we haar aanwezigheid altijd blijven voelen.



Een zoektocht naar de ‘moderne Hestia’, leidt ons onoverkomelijk even terug naar het verleden. Spreken over de betekenis van de haard in architectuur, kan haast niet zonder het werk van Frank Lloyd Wright te vermelden. Wright zelf omschrijft de haard als het ‘psychologische centrum van de woning’. De centrale positie en het gedetailleerde metselwerk maken van de haard niet enkel een functioneel, maar ook een esthetisch element in Wrights oeuvre.

Willey Huis, een woning uit 1934, is één van de eerste woningen van Frank Lloyd Wright die een open keuken heeft. In die tijd was de keuken doorgaans een secundaire ruimte – een plek voor het personeel. Nancy Willey vroeg expliciet een aangename keuken, aangezien zij zelf zou koken. Opmerkelijk genoeg noemde Wright deze keuken ‘workspace’ (werkplaats).
Zoals in al zijn ‘natural houses’, kent de haard nog steeds een primaire positie in dit project, maar voor het eerst staat de keuken in visueel contact met de leefruimtes. Zo kunnen we Willey Huis misschien beschouwen als een pilootproject in de verschuiving van het hart van de woning van leefruimte naar keuken.

Tijdens een diner met Baron Okura in Japan, ontdekt Wright de ‘Korean room’ – een ruimte die via de vloer verwarmd werd. Het Hebert Jacobs House (1937) in Wisconsin, was zijn eerste ontwerp met stoomleidingen in de vloerplaten. Hoewel hij een manier heeft ontdekt om de woning te verwarmen zonder zichtbare elementen, blijft Wright opteren voor een zeer prominente haard. De loutere functionaliteit van de haard is volledig weggevallen. Toch kiest Wright ervoor dit element te behouden – gewoon, uit gezelligheid.
De haard in de woning is dus misschien eerder een Europees gegeven, dat later in Noord-Amerika werd gekopieerd door mensen zoals Frank Lloyd Wright. Het Hebert Jacobs House bewijst ons dat de functionaliteit van de haard van ondergeschikt belang is, en zijn emotionele gevoelswaarde primeert. (Ik raad aan het boek ‘Thermal Delight in Architecture’ van Lisa Herschong te lezen, waarin ze de impact van thermische condities op menselijk gedrag analyseert.)

De plannen van het Herbert Jacobs House werden gepubliceerd in de januari-editie van the Architectural Forum Magazine in 1938. George en Selma Sturges waren naar eigen zeggen meteen verliefd op Wrights manier van bouwen. Zij hadden ondertussen een grond gekocht in Los Angeles en contacteerden John Lautner – Wright’s rechterhand voor de projecten in Zuid-Californië – met de vraag om een ontwerp te maken.

Herewith sketches for the Sturges.
I think it is self explanatory. Take it to them for their reaction.
It is one of the simplest things we have done and one of the best.

-Frank Lloyd Wright in een brief aan John Lautner, 11 februari 1939

Het ingewikkelde plot vereiste een creatieve aanpak: de nieuwe woning zou gebouwd worden op een helling. Het enorme uitkragende terras doet ons denken aan Fallingwater House. De structuur van deze woning is bijzonder interessant; de solide bakstenen constructie van de haard dient hier als tegengewicht voor het uitkragende terras. Hestia vormt hier wel degelijk de echte kern van de woning, de steunpilaar.






Hestia verpersoonlijkt eerder een gevoel dan een fysicaliteit; de warmte van de haard, de bescherming van een baarmoeder, de moederlijke gevoelens van een thuis. Net daarom moeten we ook niet vrezen voor een verlies van Hestia. Als (toekomstige) architecten moeten we ernaar streven Hestia even goed te verbeelden als Frank Lloyd Wright, maar ook als mens moeten we ernaar streven elkaar evenveel liefde, warmte en bescherming te bieden als Hestia. Zolang dat ons lukt, zal Hestia blijven voortbestaan.


Tekst & tekeningen: Milène Senden

Aanschouw mijn schouw

De open haard, hét interieurelement bij uitstek dat naast warmte, ook huiselijkheid uitstraalt. Al sinds de steentijd gebruikt men vuur en onder meer openhaarden om ruimtes te verwarmen en om te koken. Pas sinds het einde van de 19e eeuw werd de open haard niet langer gezien als uitsluitend levensnoodzakelijk, maar ook als gezellig. Langzaam maar zeker werd de openhaard echter minder en minder nuttig. Wat ooit het hart van de woning was, is vandaag de dag met uitsterven bedreigd. Dichtgemetste schouwen in oude woningen affirmeren dat des te meer. Wat kan de schouw vandaag dan nog betekenen in onze woningen en welke (nieuwe) functie krijgt ze toegewezen?

De schouw, en de daarbij horende open haard, zijn in de loop der jaren onderworpen geweest aan verscheidene betekenisverschuivingen, of beter, betekenisdegradaties. Op het moment dat de keuken en de open haard van elkaar gesplitst werden, moesten deze twee het tegen elkaar opnemen in de strijd om het centrum van de woning te worden. Een strijd die de open haard heeft verloren, want natuurlijk, liefde gaat door de maag. De schouw werd des te meer een decoratief element. Marmeren schouwgarnituur, veelal een klok met aan weerszijden een vaas, maakte van de schouw een pronkstuk. De schouw verloor dusdanig één van zijn nuttige functies, maar kreeg er in de plaats wel een representatieve functie bij. Met de intrede van moderne, minder vervuilende verwarmingstechnieken – hoewel minder gezellig –, verloor de open haard echter ook zijn laatste nuttige functie. Ze werd nog wel gezien als gezellig, en sporadisch aangestoken voor speciale gelegenheden, maar de rest van het jaar werd de schouw een leeg kader, een karikatuur van wat deze ooit geweest was. Heeft de schouw vandaag de dag dan nog enige vorm van betekenis in ons interieur, of is deze gedegradeerd tot een veredeld schap om enkele familiefoto’s op te presenteren?

Als er één architect was die de open haard hoog in het vaandel droeg, dan was dat zonder twijfel Frank Lloyd Wright. Hij ontwierp meer dan duizend open haarden in zijn carrière en begreep de essentie die de open haard in zich droeg. Ondanks veranderende technieken en Wright’s poging om het gehele concept van de Amerikaanse woning te veranderen, bleef hij hardnekkig grote open haarden in het centrum van zijn ontwerpen plaatsen. Wright zag de open haard als spiritueel centrum van het huishouden, Maar was dit niet bovenal een soort van overcompensatie voor de gezelligheid en de huiselijkheid die hij thuis zelf nooit had gekend, maar zo naar verlangde? Kan dit dan wel een aanknopingspunt zijn, voor wat we vandaag nog met de open haard kunnen aanvangen? De achterliggende ideeën en idealen van Frank Lloyd Wright zijn dan wel verouderd, maar de essentie en huiselijkheid die de open haard in zich draagt, blijft op de een of andere manier toch in ons achterhoofd, haast melancholisch, voortleven.

Een hedendaags project dat toont hoe we vandaag met de schouw kunnen omgaan, is de renovatie van drie historisch waardevolle panden in de Leysstraat te Antwerpen door Bovenbouw Architectuur. Bij de renovatie van de interieurs zijn de schouwen en hun ornamentele karakter ten volle benut. Ze worden op interessante wijze en met de nodige dramatiek ingezet bij het doorbreken van scheidingsmuren. Deze doorbraken waren noodzakelijk voor het verbouwen van de drie panden tot meerdere appartementen. De schouw krijgt hierin meerdere rollen toegewezen: ze wordt ingezet als deur, als raam en ook op meer komische wijze, als beduiteinde. De schouw slaagt erin ruimtes met elkaar te verbinden en wordt hier in ere hersteld en zelfs opgewaardeerd. Ze krijgt weliswaar niet haar oorspronkelijke functie terug, maar kan op deze manier juist méér zijn dan ze zelf ooit dacht te kunnen zijn.

Ook het voormalige bureau De Vylder Vinck Taillieu heeft de schouw op een bijzondere wijze ingezet bij de renovatie van een negentiende-eeuwse woning voor de kledingzaak Twiggy. Het oude herenhuis en de nieuwe kledingzaak worden in elkaar verweven. Door het vloerniveau tussen de onderverdieping en het gelijkvloers weg te halen, ontstaan er bijzondere plekken. Zo krijg je in eenzelfde kamer twee schouwen boven elkaar, waarbij de bovenste in het midden van de kamer lijkt opgehangen te zijn. Als een ornament geeft deze configuratie inzicht in de voormalige indeling van het gebouw. De schouw maakt de ingreep die er gebeurd is onmiddellijk duidelijk en heeft hier dus de kracht ruimtes aan te duiden, ook al bestaan deze individuele ruimtes niet langer. De ingreep levert een bijzonder en grappig moment op, maar zorgt er ook voor dat de huiselijkheid van het gebouw, of eerder de herinnering hieraan bewaard blijft. De aanpak van de architecten staat dan ook in schril contrast met wat we vandaag gewoon zijn als het aankomt op renovaties van commerciële gebouwen. Ook al is deze huiselijkheid slechts een schim van wat het ooit was.

Zoals deze voorbeelden aantonen, kan de schouw vandaag worden ingezet als een enorm sterk, flexibel en zelfs komisch element in de architectuur. De schouw toont aan dat het meerdere functies en betekenissen in zich kan dragen. Is dit een laatste sprankeltje hoop dat de schouw zijn laatste adem nog niet heeft uitgeblazen?



     

Evelien Dignef


Anton Vanneuville


Thibault De Smet

Crematoria en het vergeten van de dood

De schoorsteen heeft, naast zijn huiselijke connotatie, ook een heel morbide connotatie.
De schoorsteen is mede via het crematorium onlosmakelijk verbonden met het 'verbranden': het onherroepelijk vernielen en laten verdwijnen van organisch materiaal tot as. Niet omwille van de gecreëerde warmte, maar omwille van de vernietiging an sich.

De meest archetypische uitdrukking van dit verbranden is natuurlijk het verbranden van lijken.
Het eerste bewijs van crematie dateert van 17 000 jaar geleden, gevonden aan Lake Mungo in Australië. Sindsdien is crematie, naast het begraven, een wijdverspreide manier van rituele omgang met lijken, die in diverse culturen en religies voorkomt.
Het is pas vanaf ongeveer 1800, onder invloed van de Verlichting en de wetenschappelijke geneeskunde, dat de moderne crematoria zoals we ze nu kennen het licht zien.

Cremeren vandaag is geen rituele verbranding meer, gegrond in cultuur en religie. Het crematorium is een fabriek, een geïndustrialiseerd antwoord op de dood van de massa. Crematoria bieden een uitweg aan een maatschappij die blind is voor zijn doden, aan een samenleving die de nutteloosheid en het stilstaan van de dood niet kan verdragen. Bovendien lost het crematorium ook heel eenvoudige problemen op, zoals de nijpende grondschaarste in de stad en de onderhouds- en materiaalkosten bij een normale begrafenis.

Een hedendaags crematorium bezit een tweeledig programma: de rituele ruimte voor het afscheid, en de industriële ruimte voor de verbranding. In deze tekst wil ik in een aantal interessante crematoria op zoek gaan naar hoe deze twee ruimten zich tot elkaar verhouden. Hoe ga je om met de functionele kern van het crematorium, de verbrandingsoven en de schoorsteen, in termen van (gevoelsmatige) zichtbaarheid. Hoe ontwerp je een gebouw voor de dood voor een maatschappij die zijn dood niet wil zien?

Crematorium in Hagen-Delstern, Peter Behrens
Peter Behrens ontwierp dit crematorium in Hagen-Delstern in een tijd waar dat in Duitsland nog verboden was. Behrens, die we kennen van de AEG fabrieken en het industrieel design, greep voor dit crematorium terug naar de theosofistische geometrie. Deze metafysische filosofische religie inspireerde de vroege modernistische artistieke wereld, waaronder Kandinsky, Russolo en Peter Behrens.
Het crematorium is vrij klein, maar dankzij de kubische symmetrieën en motieven die doorheen het hele gebouw optreden, krijgt het gebouw toch een monumentaal aanzien.
Het is opmerkzaam dat Behrens de schouw zo benadrukt in een apart torentje, dat het geheel doet herinneren aan een duomo met campanile. Ook het prachtige, geometrische, zwart-wit kleurcontrast plaatst dit crematorium in een Italiaanse sfeer.
Het is frappant dat Behrens als door en door modernistische architect, bepleiter van de nieuwe, industriële architectuurtaal, voor dit crematorium teruggrijpt naar de oude Italiaanse meesters. Het modernistische geloof in de vooruitgang blijkt bij een confrontatie met de dood – het stilstaan, het niet vooruit gaan – sprakeloos.


Crematorium Siesegem, Kaan Architecten
De verbrandingsinstallatie in het crematorium Siesegem van KAAN Architecten werd, in tegenstelling tot vele andere crematoria in Vlaanderen, met dezelfde zorg en gevoel voor esthetiek ontworpen als in pakweg één van de rouwhallen. De ambitie van de architecten was om naasten de kans te geven om tot op het allerlaatste moment bij het lijk te kunnen blijven, voor het tot as wederkeerde.
De schouw van de verbrandingsoven is doorheen het komen en gaan van het gebouw niet van buitenaf te zien om het beeld van de dood niet op te drukken, om het te sparen voor het laatste moment. Doorheen de hele ceremonie en het afscheid, blijft deze afwezig. In de verbrandingskamer echter, waar enkel een kleine groep van dichte naasten toegelaten wordt, zien we een pijp van de verbandinginstallatie doorheen een dakkoepel steken. De pijp wordt door een ring van licht omringt. Dit prachtige element lijkt wel een binnenstebuiten gekeerde schoorsteen, een abstrahering van het raam dat het idee van het buiten, of hier de hemel, projecteert naar binnen. Dit is het moment waar de architectuur het verdwijnen van de dode vat, waar de architectuur het scheiden van het aardse lijk met de hemelse ziel in een tastbare taal uitdrukt.






Vertical Cemetry, Warehouse of architecture and research
Een wolkenkrabber van de nutteloosheid, van het eeuwige stilstaan, van de dood. Warehouse of Architecture and Research pootte in dit ongerealiseerde ontwerpvoorstel een gigantisch verticale begraafplaats neer in Tokyo, midden in het hart van het kapitalistisch centrum in Japan. Tussen de eindeloos gestapelde graven bevinden zich een aantal 'feestruimtes' voor dans, muziek en theater. Het gebouw kadert de oneindige urban sprawl van zelf-referentiële pronkarchitectuur met een eenvoudige maar speelse architectuurtaal. Bovenaan prijkt de schouw van het crematorium, als een landmark middenin een landschap van landmarks.
A crematorium, a chimney that sends back to the city what the city has no more, its dead inhabitants.


Crematorium Sint-Niklaas, Wim Cuyvers
Wim Cuyvers, zonder wiens gedachtegoed deze tekst nooit had plaatsgevonden, pleit voor een maatschappij die opnieuw zijn dood in de ogen durft te kijken. Samen met Carl Bourgeois ontwierp hij een Weeping Building voor de Open Oproep voor het crematorium in Sint-Niklaas in 2005. Dat kan vrij letterlijk genomen worden, omdat het dak en de vloerplaten geen opstaande rand noch waterafvoer bezitten, zodat het water rondom de volledige omtrek als tranen naar beneden druppelt. Bovendien bezit de aula geen stoelen, is er nergens in het gebouw een binnenklimaat te vinden, en zijn alle servant spaces gelijkwaardig aan en even zichtbaar als de served spaces. Cuyvers streeft een ‘nutteloze architectuur’ na, een onmogelijke en daarom onwinbare architectuur, een architectuur die liever wil blootstellen dan wil beschutten, zodat men nergens de zekerheid van een ‘binnen’ voelt.
Hoewel het gebouw geen prominente schoorsteen heeft, past het toch perfect binnen deze reeks crematoria. De ovens van het gebouw worden op geen enkele manier verhult of verstopt, in het plan en in de verschijning van het gebouw worden ze onverbloemd als het hart en bestaansreden van het gebouw naar voren geschoven. Bovendien, weliswaar op een andere schaal maar toch gelijkaardig, wordt het gebouw niet verhuld van de buitenwereld. Cuyvers plaatste het gebouw zo dicht mogelijk tegen de E17, en je kan er, zoals bij een tankstation of wegrestaurant, een afrit nemen die recht naar het crematorium leidt.

De crematie hoort bij die maatschappij die haar doden niet wil zien, die de dode (de dood) zo vlug mogelijk opstookt, een maatschappij die conform de vrijzinnige smaak en esthetiek geen symbolen, geen iconen bij de dood kan verdragen. Het is een van de uitingen van de reclame-televisie-maatschappij die alleen lachende jonge gezonde mensen tegen een zonovergoten blauwe-luchten achtergrond wil zien. De crematie is de realisatie van de droom van een maatschappij die zijn doden in rook zou willen zien opgaan.

Pas na het schrijven van deze tekst realiseer ik me dat ik, zonder enig stevig fundament, wel erg uitdagende of provocerende uitspraken doe over het crematorium. Zoals reed vermeld is mijn blik op het crematorium sterk geïnspireerd op die van Wim Cuyvers, Bart Verschaffel en aanverwanten. Voor een diepgaandere, stabielere en betere argumentatie, verwijs ik u door naar:

(1) CUYVERS Wim, ‘Graven, de huivering voor de afgrond van de dood’, uit: Tekst over tekst, Stroom, Den Haag / Voorkamer, Lier, 2005, pp. 31-32.
(2) CUYVERS Wim, ‘Oublier Père Lachaise’, uit: Tekst over Tekst, Stroom, Den Haag / Voorkamer, Lier, 2005, pp.13-28.
(3) BRUYLAND Karel, ‘Een theatraal Vaarwel. Typologie van het Crematorium’, promotor: prof. dr. Bart Verschaffel, UGent, AJ 2008-2009.

Seppe Feijen


Een discursief zoeken naar waarom kerken geen schoorstenen kunnen hebben en industrie niet zonder kan


Hoewel we soms het tegendeel pretenderen wanneer het ons goed uitkomt, voelen we dat we niet weten, begrijpen, noch vatten wat de wereld is en wat erin gebeurt. We stellen vast dat er geen zaken hetzelfde zijn (“alles is uniek!”) maar tegelijk dat er continu analogieën kunnen getrokken worden tussen dingen (“alles is hetzelfde!”), dat alles gedurig stilstaat (“alles staat stil!”) maar dat de wereld doordraait (“de wereld draait door!”), dat we elkaar dag na dag de loef proberen af te steken (“homo homini lupus est!”) maar dat liefde altijd en overal aanwezig is (“liefde is alles, alles is liefde!”). Kortom, we weten het dus niet.
Goed, misschien kunnen we de realiteit benaderend verklaren binnenin de ruimte die we kennen en, als er dan eens onverklaarbare natuurlijke dingen gebeuren, steken we het op het bovennatuurlijke, in godsnaam. We kiezen een even brede als vage term waarbij we geloven dat deze ons doorheen de tijd kan gidsen. Neem nu ‘naastenliefde’: als je op een dag met een groep samenleeft die de onkenbaarheid en zinloosheid van het bestaan vreest, is het niet slecht, voor zowel de individuen als voor het voortbestaan van de samenleving, dat je hen kan wijsmaken dat ‘naastenliefde’ een primaire waarde/waarheid is. Het in-harmonie-leven met je omgeving wordt je dan zodanig ingestampt, ten goede van je schrik én de commune, dat je dit gaandeweg ook projecteert op het buiten: bloemetjes en bijtjes leven naar jouw mening dan harmonieus samen en de kat mag plots geen muizen meer vangen.
Dit verhaaltje, dat trouwens doorheen vele religies een rode draad vormt, past perfect in het discours van het christendom. Zij hebben gepredikt en als kenbare waarheid naar voren geschoven dat het aardse leven dat van het verderf, het leed en de pijn is. Nu bieden ze wel enkele uitwegen, zoals het harmonieus en vol van naastenliefde leven in je parochie. Deze uitweg is echter niet zomaar een uitweg, het is een verplicht pad dat de enige manier is om ooit tot een compleet gelukzalig en perfect bestaan te komen: het hiernamaals hierboven, daar waar god is. Voor je over de drempel van Sint-Pieter mag stappen, moeten twee voorwaarden vervuld zijn. Zo moet jouw dood voltrokken zijn én moet je een toegangsticket hebben, klassiek in de vorm van een doopsel alsook twee communies en een wekelijks kerkbezoek als teken van blijvende trouw aan de christelijke waarden. Oh ja, betaal maar best genoeg aflaten en biecht wanneer je gezondigd hebt – zouden pastoors onderling roddelen bij een glaasje rode wijn in hun pastorij? Samengevat: het hier en nu, de wereld zoals ze aan ons verschijnt, is de wereld van de gestraften, van de zondaars, van zij die weggestuurd zijn uit het aardse paradijs. Pas na jouw dood en in de hemel, (niet op aarde!), kan je aanspraak maken op een gelukzalige omgeving.
Het is echter wel nodig dat deze twee werelden – hemel en aarde – met elkaar in contact staan en dat ze zich aan elkaar tonen, wil men de gelovigen onder de knoet houden, wil men de gelovigen onderhouden. Als god beslist zich te tonen – en het is enkel hij die zich aan de levenden kan tonen en niet omgekeerd – doet hij dat in de kerk. In de hoge kerk voelen we de zwaarte van de lucht, de zwaarte van god die misschien bij ons is. De bakstenen gewelven, gotisch dan wel romaans, ontvangen hem, huizen hem voor even in onze ruimte. De glasramen suggereren de weg die hij aflegde om hier te geraken, het licht van de hemel – niet van de aarde! – straalt binnen. De gewelven verwelkomen hem, maar veroordelen ons. Ze wijzen ons op het aardse en verderfelijke bestaan, geen ontsnappen aan, zelfs niet doorheen een schoorsteen.









Naast deze benaderende manier die een vaag concept voorop schuift, kunnen we er ook van uitgaan dat de realiteit wel degelijk verklaarbaar is. Iedere dag komen we een stapje dichterbij tot op het punt van een totalitaire kennis van het universum, we gaan erop vooruit, viva de wetenschap! Het sturende, of eerder verklarende begrip van het nu is dan niets anders dan de constante herinnering dat we er nog niet zijn, maar dat we wel steeds beter en beter worden, steeds slimmer en slimmer, steeds efficiënter en efficiënter, zodanig dat we er ooit gaan geraken: het geloof in de vooruitgang en het vooruitgangsdenken. Aangezien men in de Verlichting de koning gedood heeft en sinds Nietzsche ook God, zou het nogal wiedes zijn opnieuw een ‘persoonlijkheid’ boven ons te stellen. Neen, laten we in een tijdperk waar democratie aan belang groeit de mens zélf, het individu, als hoogste goed stellen. Wij, het volk, bepalen de gang van zaken zodanig dat de gehele samenleving continu vooruit kan gaan. De individuen, waarvan de positie en afkomst tegelijk helemaal wel en helemaal niet bepalend is voor wie ze zijn, komen in debat tot een compromis waarin ze geacht worden de eigen positie te verlaten en te beslissen voor het goede van iedereen. Het debat tussen mensen blijft echter in cirkels draaien, waardoor we de échte vooruitgang maar gaan bekomen dankzij wetenschap en technologie, niet dankzij de politiek. Het is de wetenschap die in staat is om de gehele wereld te vatten, te kennen, in wetten te schrijven en te voorspellen; het is de technologie die ons leven continu comfortabeler maakt. Eindbestemming: het maakbare en voorspelbare hier en nu, waarin iedereen constant gelukkig en vrij is, waarin we alles kennen en begrijpen en dus ieder gevaar kunnen uitsluiten.
Dat dit proces heden ten dage gepaard gaat met duidelijk negatieve effecten, is een noodzakelijk kwaad – het doel heiligt de middelen. Als het kwaad zich manifesteert, laten we dan eerst de geboekte vooruitgang prediken, om dan daarna het verontrustende kwade te verstoppen – of zelfs te verbranden, zodat het kan vergaan tot stof, as en rook die doorheen de schouwen van de industrie kan wegglijden naar de alles verdunnende lucht.

Thibault De Smet

Koen

Koen, net afgestudeerd als architect en tevens een alleenstaande vader van de achtjarige Joren, werd door de stijgende prijzen van de vastgoedmarkt in Gent in een te klein appartement gedwongen. Koen had het briljante idee een speelzone in te richten in de open haard, een verloren ruimte van de woning. Jammer genoeg kende de Poolse kuisvrouw het inmiddels in Vlaanderen ingeburgerde principe van de speelopenhaard niet. Habemus Papam!

Kasper Habtie & Louis Cocquyt

Milene Senden

De Schoorsteen van de Traditie

Koude winteravonden. Gezelligheid rond de open haard. Duizenden huizen verbonden door rokende schoorstenen, brandende haarden. Echte haarden met zelf gekliefd hout. Niet zo van die open haarden op gas of lichtspektakels. Een haard waarbij je warmte voelt, waarbij je de nood voelt om een gezelschapsspel te spelen, om te vervallen in nostalgie.

Het is half zes ’s ochtends en het afgaan van de wekker is nog ver weg. Hoeven zijn hoorbaar op het dak. Stil blijven liggen, doen alsof je slaapt, anders hoort hij je misschien wel. De regel, je mag de regel niet vergeten. Je draait je om en wikkelt het deken over je hoofd. Met elke seconde dat de klok tikt, gaat je hart sneller slaan. Vijf minuten gaan voorbij maar in je hoofd lijkt het alsof een eeuwigheid verstreken is. De resonantie van hoeven op het dak is nergens meer te bespeuren. Dan moet het toch gelukt zijn, hij is weg, het kan niet anders. Je maakt jezelf wijs dat het nu wel echt het moment is om op te staan. Jouw enthousiasme is niet meer te houden. Je spring uit je bed, spurt naar de kamer naast de jouwe. Je merkt niet dat je zus nog diep ligt te slapen. WAKKER WORDEN, WAKKER WORDEN. HIJ IS GEWEEST. IK HEB HEM GEHOORD. DE SINT. Je rent verder naar de kamer van je ouders. Voor ze goed door hebben wat er gebeurt, ben je de trap al afgevlogen, het nachtalarm weergalmt door het huis. Nu is iedereen zeker wakker. Je voeten kunnen je niet snel genoeg brengen naar jouw bestemming, de haard. Daar waar alle kinderen hun dromen uitkomen op zes december.


Dag Sinterklaas. De stem van Bart Peeters klinkt door de televisie – niet zo’n gigantische flatscreen als vandaag. De sint wandelt over de daken. Een dakenlandschap gekarakteriseerd door de verscheidenheid en veelheid aan schoorstenen. Bij elke schoorsteen hoort een familie, bij elke schoorsteen een verhaal.



Schouder aan schouder sta je tussen duizenden andere mensen te wachten op misschien wel één van de bekendste pleinen ter wereld. De colonnades omarmen de christenen als een moeder haar kind. Sint-Pietersplein. Dertien maart 2013. De spanning valt te snijden. Wachten in weer en wind op dat ene signaal. Honderddertien kardinalen zijn in overleg, niet gehaast en onverschillig voor de nervositeit die er buiten heerst. Boven de Sixtijnse Kapel blijft die verdomde zwarte rook zichtbaar. Vier stemmingen waren onvoldoende, op naar de volgende. Genageld aan de vloer verlies je even jouw concentratie. Een aura van enthousiasme vult het plein. Geroezemoes dat luider en luider wordt. Het is alsof de grond begint te daveren. Het geroezemoes gaat over tot gejuich. Je wordt weggetrokken uit jouw roes. Je kijkt op, naar die schoorsteen – een schoorsteen boven de Sixtijnse Kapel ?! – en jawel! Witte rook. De klokken luiden. Habemus Papam.

Zelfs het christendom heeft nood aan een schoorsteen om zijn tradities in ere te houden. Witte rook als teken van de verkiezing van een nieuwe paus, geproduceerd door het verbranden van de stembriefjes gemengd met wat chemicaliën. Geen rook van angst, vuur of brand, maar van hoop.






Al twee maand lang wordt er niets anders gedraaid dan kerstmuziek. De straten lopen overvol van mensen, jenevers worden talrijk naar binnen gekapt. Samen met je kinderen heb je de kerstboom opgezet. De haard brandt en de kerstlichtjes verzorgen die typische kerst gloed. Van buiten naar binnen kijkend, lijkt alles perfect. Over heel de wereld worden huizen versierd, hoe meer, hoe beter. Je bevindt je op de steenweg richting stad wanneer je aandacht getrokken wordt naar dat ene huis dat elk jaar in een lichtspektakel verandert. Je denkt bij jezelf, wat bezielt die mensen? Wie houdt er zich daar mee bezig? Het valt je plots op dat meer en meer huizen rondom hetzelfde doen. Het lijkt wel een competitie. Wie kan er het mooist zijn huis versieren – wie kan er het meeste geld tegenaan smijten? Waarom moet alles altijd groter, duurder, beter? Bezonken in gedachten bevind je je ondertussen tussen het volk. Je bent een pion in de grijze massa. Weken op voorhand zoeken, winkel in, winkel uit. Iedereen heeft één doel voor ogen: het perfecte cadeau vinden. En vergis u niet, waar in jouw kindertijd het perfecte cadeau een teken van vriendschap, dankbaarheid en liefde was, vaak voorzien van een zelfgemaakt kaartje, draait het nu enkel nog om de hoeveelheid, de ‘coolness’ maar voornamelijk die competitie. De competitie om het beste, duurste cadeau. Net voor je wordt er zelfs gevochten om die laatste PS5.

De gloed van kerstmis vieren, het samen zitten rond de haard, dankbaar zijn om de mensen die rondom je zijn, vervagen in een wereld waarin consumptie de bovenhand neemt. Haarden worden vervangen door lichtspektakels terwijl de warmte langs de vloer verdeeld wordt. Verhalen, boodschappen en betekenissen kennen hun tegenstander in competitie en commercialisering. De kachel en zijn schoorsteen in dichtgemetselde open haarden.

De schoorstenen verdwijnen als sneeuw voor de zon, als verhalen bij de open haard. Wat gaan we onze kinderen nog wijsmaken? De sint komt vanaf nu op zijn scooter via de voordeur? Het roet van de Piet is veroorzaakt door de uitlaat van die scooter? De kerstman verspreidt cadeautjes langs de vloer, het nieuwe figuurlijke hart van het huis? Voordat we het weten heeft enkel de paus nog een schoorsteen, we weten tenslotte allemaal dat de kerk niet zo snel dingen loslaat. Waar gaan de verhalen naartoe als we geen intieme centrale plek meer hebben om ze te vertellen? Waar ga je voor de honderdste keer dat ene grappige verhaal uit je vaders kindertijd horen en waar kan je nog verliezen bij een spelletje monopoly?

Het verdwijnen van de schoorstenen in het landschap is niet enkel een kwestie van ecologische vernieuwingen of het verlies van een karakteriserend architecturaal element. Met elke schoorsteen die wordt afgebroken, gaat de kracht van een traditie of verhaal verloren door de zoveelste aanpassing en daarmee een verminderende relevantie. Maar misschien is dit ook een deel van de evolutie en zullen er nieuwe tradities ontstaan?

Nathalie Peeters

De Schoorsteenveger




Recensies

De Modernisten

De Modernisten is een minireeks van negen afleveringen gemaakt door Klara over het Belgische Modernisme. De reeks zoekt Belgische architecten van de twintigste eeuw op in het Sint-Lukasarchief. Vervolgens wordt er een bezoek gebracht aan een woning. Dit is fantastisch, aangezien wij helaas vaak geen kans daartoe krijgen. Doorheen de reeks ontdek je pareltjes, gaande van ‘woning Ghyssaert’ van Axel Ghyssaert met zijn bewegende koepels tot ‘woning Alsteens’ van Renaat Braem waarbij de open haard een enorme intimiteit heeft.

De reeks bewijst dat Belgische architectuur het verdient om in de kijker gezet te worden. In de fijne, zeer korte filmpjes zit er veel liefde voor architectuur, niet alleen door kenners, maar ook door getuigenissen van de inwoners. Zeer mooie manier van appreciatie tonen!

Te bekijken op youtube en vrt.nu


Eindredactie: Lou Sanders, Chiara Kuijpers, Tessa Heyninck
Layout: Seppe Feijen, Laure Machtelinckx, Jona Van Eetvelde
Kleur: #72a98f